Schrijver zijn volgens Shaw

G.B. Shaw

George Bernard Shaw (1856-1950) was een Iers toneelschrijver.

Shaw is na William Shakespeare , de belangrijkste toneelschrijver voor de Engelstalige theaterwereld. Net als de bard uit Stratford-upon-Avon schreef Shaw veel. Hij schreef meer dan 60 stukken.

Bij het grote publiek is hij vooral gekend voor ‘Pygmalion’ (1912), oftewel ‘My Fair Lady’. In ‘Pygmalion’ gaat professor Higgins een weddenschap aan. Hij zal van een arme Londense bloemenverkoopster, Eliza Doolittle een dame maken. Voor het scenario van de film ‘Pygmalion’ kreeg Shaw in 1939 een Oscar.

Zijn toneelstuk rond Jeanne d’Arc, ‘Saint Joan’ leverde hem in 1925 de Nobelprijs voor literatuur op. Shaw accepteerde de prijs, maar weigerde het prijzengeld. Tijdens zijn lange leven kwam hij in aanmerking voor heel wat Britse eerbewijzen en onderscheidingen. Hij weigerde ze allemaal.

De meester-fantast

Vergeet Goethe, Mann, Hesse en Remarque. De Duitse schrijver die de meeste vertalingen op zijn naam heeft staan, is Karl May (1842-1912). Met tweehonderd miljoen boeken is May een van de meest gelezen Duitstalige auteurs. Die tweehonderd miljoen boeken zijn voornamelijk verkocht in Duitstalige landen. Hoewel we zijn naam op zijn Engels uitspreken als Meey, ga je maar weinig Engelsen of Amerikanen vinden die hem kennen. Bovendien vonden de avonturen van Old Shatterhand en Winnetou weinig weerklank in het Engels. Ze waren te Duits. De setting te romantisch. 

Wat die setting betrof: Karl May is nooit in het Wilde Westen geweest. Toch beweerde hij dat Winnetou echt geleefd had en dat hij hem gekend had. Old Shatterhand was immers zijn alter ego. Aan de legende van Old Shatterhand kwam een bruusk einde toen May in 1904 ontmaskerd werd als een bedrieger en een fantast. 

May, de veelbelovende jongen

Carl Friedrich May werd op 25 februari 1842 geboren als vijfde kind van wever Heinrich May en Wilhelmina Weise. In zijn autobiografie (1910)  beweerde May dat hij tijdens zijn eerste vijf levensjaren blind was, en dat een kuur met vitamine A en D hem had genezen. Veel biografen betwijfelen deze bewering, hoewel er allicht wel een zweempje waarheid in zat. Waar de biografen het wel over eens zijn, is over de onorthodoxe opvoeding van zijn vader. Vader May bracht regelmatig gevonden of gekregen boeken mee naar huis. De jong Carl moest die boeken vervolgens overschrijven. Op die manier kon de veelbelovende jongen boekenwijsheid opdoen. Als geleerd man zou hij – in tegenstelling tot zijn ouders – geen armoede meer kennen. 

May, de crimineel

Aanvankelijk lachte de toekomst May toe. In 1856 deed hij een opleiding tot leraar in Waldheim. Vijf jaar later werd zijn bevoegdheid om les te mogen geven ingetrokken. Hij was immers al tweemaal met het gerecht in aanraking gekomen. In 1860 en 1861 was hij respectievelijk veroordeeld voor het stelen van kaarsstompjes en een horloge. Niettemin gaf hij privé onderricht en trad hij op als voordrachtskunstenaar. Daarnaast hield hij zich bezig met kleine criminaliteit, fraude en bedrog. In 1865 kreeg May vier jaar tuchthuis nadat hij zich onder meer had uitgeven voor oogarts. Wegens goed gedrag kwam hij na drie jaar vrij. In 1870 stond hij weer voor de rechter. Deze keer was hij gearresteerd voor landloperij. Bij zijn arrestatie had hij beweerd dat hij Albin Wadenbach heette.

May, de schrijver

Toen hij in 1874 van het tuchthuis terug naar zijn ouderlijk huis ging, besloot hij om het als schrijver te proberen. In het eerste tuchthuis had hij schrijfwerk gedaan en werkte hij in de gevangenisbibliotheek. Hier had hij een lijst aangelegd van mogelijke titels van verhalen. Daarnaast had hij voornamelijk reisgidsen en ander non-fictiewerk gelezen, wat hem de setting gaf voor zijn avonturenverhalen. Nu wou hij die verhalen vertellen. May ontpopte zich al snel tot een succesvolle leverancier van verhalen voor allerhande tijdschriften. Het leverde hem in 1888 een vast dienstverband op als redacteur bij het tijdschrift Der gute Kamerad.

Die vaste aanstelling was er niet zomaar gekomen: de periode 1881 tot 1887 was een hoogtepunt geweest voor zijn schrijverswerk. Hoewel hij zijn brood op een eerlijke manier verdiende, kon hij het bedriegen en liegen niet laten. Zo noemde hij zichzelf sinds 1875 Doktor. Ook bood hij zijn verhalen onder verschillende pseudoniemen aan bij verschillende tijdschriften. Dat hij een overeenkomst had met Der Deutsche Hausschatz hield hem niet tegen. Helemaal in het begin van zijn schrijverscarrière waren die pseudoniemen ook handig gebleken voor het schrijven van verhalen met een erotische ondertoon. Die verhalen gingen weliswaar in tegen de tijdsgeest, ze brachten wel geld op.  

May, als Old Shatterhand

Dankzij het grote succes van de in 1892 uitgeven reeks ‘Carl May’s Gesammelte Reiseromane’ had May voor de eerste keer in zijn leven financiële zekerheid.  Steeg de roem hem naar het hoofd? Geloofde hij zijn eigen verzinsels? Of speelde hij handig in op de verwarring bij de lezers? Het was niet de eerste keer dat lezers een ik-verteller vereenzelvigde met de auteur. Of dat een auteur zich vereenzelvigde met een van zijn romanpersonages. May deed er nog een schep bovenop: hij werd Old Shatterhand.  Zijn auteurslezingen als Old Shatterhand trokken alvast duizenden enthousiaste fans. 

Niet alleen ging May gekleed als Old Shatterhand hij liet zijn huis ook inrichten met exotische artefacten. Die artefacten had hij zogezegd op zijn vele reizen verzameld. Hoewel hij toen nog geen voet buiten Duitsland had gezet. Pas in 1899 kocht hij zijn eerste souvenirs op zijn reis naar Egypte, Sri Lanka en Sumatra. Die reis was een ramp. Volgens zijn eerste vrouw had hij twee zenuwinzinkingen en kon hij niet wennen aan het vreemde voedsel. In 1908 bezocht May met zijn tweede vrouw de oostkust van de VS. Hier zag hij indianen in een reservaat. De souvenirs van zijn Amerikareis werden na zijn dood in 1912 voor het eerst tentoongesteld. Intussen zagen al vele toeristen deze souvenirs in Villa Bärenfett in Radebeul. Villa Bärenfett is een van de drie musea in Duitsland gewijd aan het leven en werk van Karl May. 

May, de oplichter

May stierf als een gebroken man. De laatste acht jaren van zijn leven waren een hel geweest. De roddelpers had in 1904 zijn crimineel verleden onthuld. Het was een begin van een hetze die zijn tegenstanders de nagels gaf om hem aan het kruis te nagelen. Tot zijn dood bleef May beweren dat hij integer had gehandeld. Niettemin ging hij de geschiedenis in als een oplichter. 

En zijn fans? Zij bleven hem trouw. Ook de rechtbank gaf hem uiteindelijk gelijk. Omdat hij een man der letteren was, mocht hij de realiteit geweld aandoen. 

De foto’s bij dit bericht komen van Wikimedia Commons en zijn in het publieke domein. Voor dit bericht gebruikte ik verschillende bronnen, waaronder Wikipedia.

De zinnelijke schrijfster

De officiële plechtigheid begon om half elf. Maar om acht uur had zich al een grote menigte niet-genodigden verzameld. Hierop besloot de politie de hekken naar de cour d’honneur van het Palais-Royal vroegtijdig te openen. De twee daarop volgende uren defileerden ruim zesduizend mensen langs haar lijkkist. Sommige, vooral vrouwen legden boeketten neer. Na de doortocht van die stille processie – je kon toen een speld horen vallen – lag de grond vol met bloemen. Haar lijkkist, gedrapeerd met de Franse tricolore, was omringd door een zee van bloemen. 

Haar echtgenoot had aangedrongen op een katholieke eredienst. Maar de aartsbisschop van Parijs weigerde. Godvrezende burgers hadden altijd geprotesteerd wanneer haar naam werd voorgedragen voor een of ander officieel eerbetoon. Want Colette (1873-1954) had een onstuimig leven geleid, en had nooit vergeving van haar zonden gevraagd. Toch kreeg ze, als eerste Française, een staatsbegrafenis. Ze was dan ook een populaire schrijfster geweest. Een icoon.

Colette als ghostwriter

Dat Colette schrijfster werd, kwam door haar eerste man, Henry Gauthier-Villars. Henry, beter gekend als Willy was een muziekrecensent. Naast niet-literaire stukken schreef hij ook lichter werk. Beter gezegd: hij liet zijn werk schrijven. Want hij had ghostwriters in dienst.

In 1910 publiceerde de 41-jarige Willy de roman, ‘Claudine à l’école’. Tienermeisje Claudine was verrukt over haar ontluikende vrouwelijkheid, maar tegelijkertijd was ze vervuld van afschuw. Zoals het een tienermeisje betaamd, was ze opstandig en roekeloos. Daarnaast was het kind van de natuur grof in de mond. De roman, die door mevrouw Gauthier-Villars was geschreven, werd aanvankelijk niet gekocht. Totdat Willy de hulp inriep van invloedrijke vrienden, die lovende recensies schreven. Uiteindelijk groeide het boek, samen met nog vier andere delen, uit tot de grootste Franse bestsellers aller tijden. 

Mevrouw Gauthier-Villars was toen 27. Net als Claudine kwam ze uit Bourgondië en ontdekte ze het leven in de hoofdstad. Overheersing door de man was toen iets waarin ze geloofde, hoewel ze al vroeg uiting gaf aan haar haat voor afhankelijkheid. Lang voordat ze met Willy trouwde had zij haar voornaam – Sidonie-Gabrielle – afgeschaft. Haar schoolvriendinnen moesten haar bij haar achternaam noemen, net zoals dat gebruikelijk was bij de jongens op de jongensscholen.

De onstuimige vrouw

Door de toneelstukken, die gemaakt werden van de Claudine-verhalen, ontdekte Colette de wereld van de variété-artiesten en mime. Als variété-artieste speelde ze een zigeunerin, een gigolo en een kat, een faun in een verscheurde lendendoek en een Egyptische mummie. Hierbij trad ze vaak halfnaakt op. Tijdens een voorstelling onthulde ze zelfs haar linkerborst. En dan was er nog de kus, die ze aan een medespeelster en geliefde gaf onder luid boegeroep. Intussen groeide zij en Willy steeds meer en meer uit elkaar. En kregen ze meer en meer ruzie over de rechten van de Claudines. Na dertien jaar huwelijk kwam het tot een scheiding. 

Colette trouwde nog twee keer. Tijdens haar tweede huwelijk had ze een relatie met haar stiefzoon en baarde ze een dochter. Het moederschap was echter niet besteed aan de 40-jarige Colette. De opvoeding van haar dochter, Sidonie, vertrouwde ze toe aan een nanny.

Haar werk

Tijdens de jaren 20 en 30 groeide haar literaire ster gestaag. Schrijvers als André Gide en François Mauriac liepen hoog op met haar werk. Literaire critici, daarentegen vonden haar werk zielloos en pervers, omdat ze voornamelijk over de liefde, de erotiek en de sensualiteit schreef. Als zij niet over de liefde schreef dan schreef ze in een beeldrijke stijl over de natuur en haar idyllische jeugd in Bourgondië. Serieuze onderwerpen als politiek, filosofie en religie vermeed ze. Ook in haar journalistiek werk. Hoe dan ook wist ze een succesvolle carrière uit te bouwen, zowel als schrijfster en journaliste. In haar onderhandelingen met uitgevers toonde ze zich een gewiekste zakenvrouw. In de loop van een halve eeuw produceerde ze tachtig boekdelen van romans, kortverhalen, memoires, artikelen en toneelstukken van een grote kwaliteit.

Hoewel haar romans verboden waren voor Franse jonge vrouwen uit de gegoede klasse vonden ze hun weg naar een ruim lezerspubliek. Haar werk weerspiegelde immers haar leven. Was zij niet Claudine? Had zij – net als haar protagoniste in het tweeluik ‘Chéri’ geen jongere minnaar gehad? Had zij geen relaties gehad met zowel mannen als vrouwen? Omringde zij zich niet met homo’s, lesbiennes en travestieten? Kende zij geen prostituees, actrices en variété-artiesten? Haar hedonisme, net als haar openhartigheid was echter een illusie. Haar kunst was die van de leugen.

Voor dit blog gebruikte ik verschillende bronnen, waaronder de biografie ‘Colette, een zinnelijk leven’ van Judith Thurman. De foto bij dit blog komt van Wikimedia Commons en is van Henri Mauel.