Schrijven volgens Marsh

Ngaio Marsh (189?- 1982) was een Nieuw-Zeelandse schrijfster.

Dame Edith Ngaio Marsh was een van de grand dames van de gouden jaren van het Engelse detectiveverhaal. Samen met Margery Allingham, Agatha Christie en Dorothy L. Sayers was zij een van de koninginnen van de misdaad.

Over een periode van 50 jaar schreef ze 32 detectiveverhalen. De hoofdrol in al haar verhalen is voor inspecteur Roderick Alleyn van Scotland Yard. Tijdens onderzoeken citeert de aristocratische inspecteur graag uit stukken van Shakespeare. Ook krijgt hij vooral te maken met acteurs. Het theater is bijgevolg een setting die vaak terugkomt in Marshs verhalen.

De liefde voor literatuur en theater was haar met de paplepel ingeven. Haar ouders speelden amateurtoneel. Als jonge vrouw was ze actrice geweest in een reizend gezelschap. Ook schreef en regisseerde ze toneelstukken.

Haar vader had haar geboorte maar pas in 1900 aangegeven. Maar Marsh was toen al een peutertje of zelfs een kleutertje. Sommige bronnen geven 1899 als geboortejaar, andere 1895.

Sinds 2010 bekroont de Ngaio Marsh Award het werk van Nieuw-Zeelandse detective- en thrillerauteurs.

De stem van de onderdrukten

Het begon in Italië. Daar schoot in het eerste kwartaal van 2020 de verkoop van ‘De pest’ van Albert Camus (1913-1960) pijlsnel de hoogte in. Ook in andere landen zagen uitgevers een verdubbeling of verdrievoudiging in de verkoop van ‘De pest’. In Groot-Brittannië kon Penguin Classics de vraag naar deze klassieker amper bijhouden. 

Een nieuwe generatie lezers voor ‘De pest’.

Catherine Camus, die samen met haar tweelingbroer Jean, haar vaders literaire erfenis beheert, is niet verbaasd over de hernieuwde belangstelling voor ‘De pest’. Zelf las zij de roman op haar veertiende, twee maanden voor het auto-ongeluk waarbij haar vader stierf. Het was pas na de dood van haar vader dat Catherine te weten kwam hoe beroemd hij wel niet was en wat zijn naam teweeg bracht.

Albert Camus’ werk is altijd populair gebleven. Vooral ‘De pest’ en ‘De vreemdeling’ zijn altijd gekoesterd geweest door een ruim lezerspubliek. Niettemin is Catherine blij dat een nieuwe generatie van lezers haar vaders werk ontdekt. 

In ‘De pest’ reageren de inwoners van Oran aanvankelijk onverschillig en lacherig op de ratten in hun stad. Maar de angst en ontreddering groeit zienderogen wanneer mensen ziek worden en sterven. Na een jaar van lockdown lijkt de pest verdwenen en weerklinkt er weer gelach in de straten van de Algerijnse stad. 

Een jongen van gewone afkomst.

Dat ‘De pest’ zich in Algerije afspeelt, is geen toeval. Algerije was Camus’ geboorteland. Hier was hij op 7 november 1913 in Mondovi ter wereld gekomen. In Algiers groeide hij op in een appartement van 2 kamers, dat hij deelde met zijn broer, zijn moeder, grootmoeder en twee ooms. Zijn vader Lucien heeft Camus nooit gekend. Die was in de Eerste Wereldoorlog in Frankrijk gesneuveld. Het contact met zijn analfabete dove moeder was moeilijk. Evengoed droeg hij haar op handen.  

Op zijn zeventiende, nadat hij bloed had opgehoest, kreeg hij de diagnose: tuberculose. Door zijn ziekte leefde Camus constant in ademnood. Toch wou het leven voluit leven. Vooral omdat hij ervan uitging dat hij nooit oud zou worden. Rond deze tijd begon hij zich te interesseren voor filosofie. Drie jaar later volgde hij deeltijds colleges filosofie aan de universiteit van Algiers, terwijl hij allerlei baantjes aannam.

Stem voor de onderdrukten.

Zijn eerste literair werk was een toneelstuk. Dit had hij samen met een stel vrienden geschreven voor le Theâtre du Travail, dat hij zelf uit de grond gestampt had. Berucht was zijn serie van reportages voor de krant Alger Republicain. Die reportages voor Alger Republicain droegen al de stempel van zijn latere werk, waarin hij onrecht aan de kaak stelde, en een stem gaf aan de onderdrukten. In deze reportages bracht hij namelijk verslag uit over de slechte leefomstandigheden van de Berbers in Kabylië. De autoriteiten konden Camus’ onderzoeksjournalistiek echter niet smaken. Hij werd een persona non grata.  

Camus, de verzetsheld.

Noodgedwongen trok de werkloze Camus naar Parijs, waar hij al snel moest vluchten voor de Duitsers. In Lyon trouwde hij met Christine Faure, die hij dan al drie jaar kende. Faure was van Oran. Dus verhuisde het koppel naar Oran, waar Camus werkte als leerkracht. Achttien maanden later, na een terugval van zijn ziekte, vertrok Camus naar de Franse Alpen en bleef Faure in Oran. Omdat de Duitsers Noord-Afrika innamen, kon Camus niet meer terug naar Algerije. Pas in 1945 kon Christine Faure afreizen naar haar man in Parijs. In Parijs was haar Albert tot een mythe verworden. 

De publicatie van ‘De vreemdeling’ in 1942 was namelijk niet onopgemerkt voorbij gegaan. Bovendien had haar echtgenoot voor Combat geschreven. De krant Combat was dé stem van het Franse verzet tijdens de oorlog.

Inzet voor mensenrechten.

In het naoorlogse Frankrijk stond Camus voor sociale en politieke verandering. Hij was een voorstander van een ‘Verenigde Staten van Europa’. Qua politieke overtuiging leunde hij naar links, was echter kritisch voor de Sovjet-Unie en het Totalitarisme, wat in de kringen waar hij deel van uitmaakte, ongehoord was. Met betrekking tot de Algerijnse oorlog geloofde hij in een grotere autonomie, en in een land waar pied-noirs en Arabieren in vrede konden samenleven. 

Hoewel hij zich neutraal hield tijdens de Algerijnse oorlog, hielp hij Algerijnse terdoodveroordeelden clandestien bij het indienen van een verzoekschrift. Ook publiekelijk nam hij het vanaf de jaren vijftig op voor terdoodveroordeelden van veelal Arabische afkomst. Zoals zijn essay ‘Réflexions sur la Guillotine’ uit 1947 aantoonde was Camus voor het afschaffen van de doodstraf. In plaats van deze makkelijke oplossing pleitte hij voor betere leefomstandigheden en de omzetting van de doodstraf naar levenslange dwangarbeid.

De Nobelprijs voor de Literatuur en zijn dood.

Toen Camus in november 1957 het bericht kreeg dat hij de Nobelprijs voor de Literatuur had gewonnen, schreef hij een bedankingsbrief aan Louis Germain. Louis Germain, een leerkracht, had de tienjarige Camus de liefde bijgebracht voor taal. Bovendien had de man ervoor gezorgd dat hij in 1923 een beurs kreeg voor het lyceum. Dat Germain hem onder zijn vleugels had genomen, had hij nooit vergeten.

Van het prijzengeld kocht Camus een oude boerderij in Loumarin. Die boerderij richtte hij in met meubels, huisraad en spullen die hij op rommelmarkten had gevonden. Nieuwjaarsnacht 1960 bracht hij door in Loumarin, met zijn gezin en het gezin van Michel Gallimard, zijn uitgever.

Christine, Catherine en Jean reden met de trein terug naar Parijs. Ook Camus had een treinticket. Hij besloot echter om mee te rijden met de Gallimards. Enkel Michels vrouw en dochter overleefden het auto-ongeluk; zij kwamen er met builen en snijwonden vanaf. Michel stierf in het ziekenhuis. Voor Albert Camus kwam elke hulp te laat. Hij was op slag dood. In zijn zak zat het begin van een nieuw werk, ‘De eerste man’, dat hij had opgedragen aan zijn moeder. En dat hij zittend op de grond in zijn terras in Loumarin geschreven had. 

Voor het schrijven van dit blog gebruikte ik verschillende bronnen waaronder Wikipedia. Het beeld komt van Wikimedia Commons en is in het publieke domein.

Schrijven volgens Doyle

Roddy Doyle (1958) is een Ierse schrijver en scenarist.

Zijn eerste boek ‘Your Granny Is a Hunger Striker’ bleef ongepubliceerd; Doyle vond er geen uitgever voor. Voor zijn tweede boek pakte hij het anders aan. Voortaan zou hij putten uit eigen herinneringen en waarnemingen. Zo werd de buurt waarin hij was opgegroeid in Dublin Kilbarrack, Barrytown. Hier situeerde hij de wedervaren van de familie Rabbite met de Barrytown trilogie.

Vooral het eerste boek rond de Rabbites ‘The Commitments’ werd een cult hit, dankzij de verfilming van Alan Parker. Ook de andere delen in de trilogie, ‘The Snapper’ (De bastaard) en ‘The Van’ (De bus) kregen hun eigen film. ‘The Van’ haalde de shortlist van de Booker Prize in 1991, maar moest de eer laten aan ‘The Famished Road’ (De hongerige weg) van Ben Okri. Twee jaar later won Doyle de Booker Prize met ‘Paddy Clarke Ha Ha Ha’, het relaas van een 10-jarige Dublinse straatjongen in Barrytown.

Na ‘Paddy Ha Ha Ha’ liet hij een mishandelde vrouw aan het woord in ‘The Woman Who Walked Into Doors’ (De vrouw die tegen de deur aanliep). Deze roman kreeg met ‘Paula Spencer’ in 2006 een vervolg. Met de trilogie rond Henry Smart schetste hij de geschiedenis van de gewone Ier.

De foto bij dit bericht komt van Wikimedia Commons en is van Christoph Rieger.