Het moeilijke Ulysses

Klassiekers zoals ‘Ulysses’ roepen meer vragen dan antwoorden op.

Literatuurwetenschappers zijn er nog steeds niet uit: is ‘Ulysses’ van James Joyce (1882-1941) nu wel of geen meesterwerk? Of getuigt het van egotripperij? De Ierse auteur wou immers een nieuwe definitie geven aan de literatuur. Na de Bijbel en de ‘Odyssee’ van Homerus is ‘Ulysses’ alvast een gewild studieobject.

Een moeilijk boek.

Voor veel lezers is ‘Ulysses’ een weinig toegankelijk boek. De structuur is chaotisch en verwarrend. Het taalgebruik is lastig. Want Joyce gebruikte naast Ierse straattaal ook letterlijke vertalingen uit het Latijn. Elk hoofdstuk is in een andere stijl geschreven. Het is doorspekt met grapjes, pastiches en parodieën. De roman zinspeelt op de Bijbel, de ‘Divinia Comedia’ van Dante, de drama’s van Shakespeare, het werk van Jonathan Swift en uiteraard de ‘Odyssee’ van Homerus. ‘Ulysses’ is immers de Engelse naam van de held van de ‘Odyssee’, Odysseus. En om het helemaal compleet te maken: in het lijvige ‘Ulysses’ gebeurt er weinig tot niets.

Het verhaal fungeert immers als een kapstok waaraan gedachten over leven, dood, seks en het Ierse nationalisme worden opgehangen. Letterlijk gaat het over de avonturen van de joodse advertentiecolporteur Leopold Bloom. Zijn avonturen duren 1 dag. Tijdens die ene dag – 16 juni –  maakt hij een odyssee doorheen Dublin. Joyce gaf zijn geboortestad heel gedetailleerd weer. Stel dat Dublin zou weggevaagd worden door een ramp, dan kan het dankzij ‘Ulysses’ terug heropgebouwd worden.

Van gewraakt en verbannen naar groeiende belangstelling.

Terwijl Joyce werkte aan ‘Ulysses’ (1914-1922), kon hij de hoofdstukken die al klaar waren, voorpubliceren in het Amerikaanse tijdschrift ‘Little Review’. Het geld, dat hij hiervoor kreeg, kon hij goed gebruiken. Maar in 1921 spande de Amerikaanse autoriteiten een proces in tegen de uitgevers van ‘Little Review’. Hoofdstuk 13, waarin Leopold Bloom masturbeert, ging in tegen de goede zeden. Na de veroordeling van de uitgevers van ‘Little Review’ wou geen enkele Engelse of Ierse uitgever ‘Ulysses’ uitgeven. Uiteindelijk verschenen er 2 exemplaren van ‘Ulysses’  in 1922 bij een Franse uitgeverij. Later volgde een herdruk van 1000 exemplaren. Tien jaar later verscheen het dan toch in de VS, na een nieuw proces. En in 1936 rolde het in het Verenigd Koninkrijk van de persen.

De Ierse lezers konden pas in de jaren 60 de boeken van Joyce lezen. Dublin had op 16 juni 1954 zijn allereerste Bloomsday. De groeiende internationale belangstelling voor Joyce en ‘Ulysses’ was de Ieren niet ontgaan.

“The sea, the snotgreen sea,
the scrotumtightening sea.”

Voor dit blog gebruikte ik verschillende bronnen, waaronder Wikipedia. 

Zij is elke vrouw.

Klassiekers zoals Madame Bovary worden door vele geclaimd.

Het Normandische dorpje Ry dankt zijn faam aan de roman ‘Madame Bovary’ van Gustave Flaubert (1821-1880). Het zou model gestaan hebben voor Yonville, het dorp waarnaar Charles Bovary en zijn vrouw Emma verhuisde. De brave plattelandsdokter zag in een verandering van plaats het medicijn dat zijn lusteloze vrouw nodig had. Hier ontmoette Emma haar toekomstige minnaar Léon Dupuis, die haar de poëzie leerde waarderen. Maar vooraleer ze zich in de armen van Dupuis gooide, gooide ze zich in de armen van Rodolphe Boulanger. Helaas, haar minnaars gaven haar geen soelaas, dus zocht zij haar heil in de aankoop van luxegoederen, wat dan weer leidde tot schulden. Niet in staat om haar schulden te betalen en zwaar teleurgesteld in het leven en de liefde, pleegde Emma uiteindelijk zelfmoord.

Madame Bovary
De Bovary’s in bed. Deze illustratie uit ‘Madame Bovary’ is van Charles Léandre.

De vele inspiraties voor Emma Bovary.

De link tussen het fictieve Yonville en Ry werd al snel na de publicatie van ‘Madame Bovary’ (1857) gelegd. De inwoners van Ry waren immers maar al te bekend met het leven van Delphine Delamare, die met haar man in Ry had gewoond. Meneer Delamare was net als Charles Bovary een plattelandsarts. Delphine bedroog hem, winkelde haar huishouding de vernieling in en pleegde zelfmoord. Haar scandaleuze leven had in 1848 de krant gehaald.

Gustave Flaubert kende het verhaal van Delphine Delamare. Zijn familie kende immers de Delamares. Maar Flaubert ontkende dat hij zijn Emma Bovary op Delphine Delamare had gebaseerd. Hij had haar samengesteld uit verschillende vrouwen in zijn omgeving. Zo waren er Louise Colet en Louise Pradier. Beide Louises waren minnaressen van Flaubert en dankbare bronnen voor zijn lastige roman. Pradier bezat volgens Flaubert elke vrouwelijke emotie in het kwadraat. Bovendien was zijn dol op dure feestjes en winkelen. Colet was zijn vertrouwelinge bij de creatie van zijn debuutroman. Met haar besprak hij onder meer de romantische leefwereld van jonge vrouwen, terwijl hij zelf de boeken las die hij Emma liet lezen. Net als Emma Bovary had de immer ontevreden Louise Colet haar romantische ideeën ontleend aan tweederangsromans. De inscriptie in de sigarenhouder die zij Flaubert aan het begin van hun affaire gaf, gebruikte hij in zijn roman.

Elle était l’amoureuse de tous les romans, l’héroïne de tous les drames, le vague elle de tous les volumes de vers.

Ik ben mevrouw Bovary.

Louis Bouilhet, een vriend van Flaubert en de uitgever van Revue de Paris stemde ermee in om ‘Madame Bovary’ als feuilleton te publiceren. De levensechte scènes van overspel baarde Bouilhet zorgen, maar Flaubert wou ze niet schrappen. Bij de publicatie van het eerste deel van het feuilleton in 1856 schreeuwden de lezers moord en brand. Flaubert en Bouilhet konden de publicatie van dit immorele verhaal over overspel gaan verantwoorden voor de rechtbank. De rechtszaak tegen Flaubert en Bouilhet duurde 1 dag. Meester Jules Sénard, Flauberts briljante advocaat wist de rechtbank te overtuigen dat ‘Madame Bovary’ overspel niet verheerlijkte, maar de hypocrisie in de maatschappij hekelde. Tijdens de rechtszitting verklaarde Flaubert: “Madame Bovary, c’est moi.” Ik ben mevrouw Bovary. Mijn creatie is niet gebaseerd op één welbepaalde vrouw. Zij is elke vrouw.”

Voor vrouwelijke lezers was Emma Bovary alvast iemand met wiens leven ze vertrouwd waren. Haar verhaal kon onmogelijk verzonnen zijn. Maar Gustave Flaubert had dan ook vijf jaar met zijn personage geleefd, want zo lang duurde de creatie van zijn debuut. Hij had met ‘Madame Bovary’ meer dan een roman geschreven: het was een geschreven documentaire over een vrouwenleven.

Yonville?

De heisa rond ‘Madame Bovary’ (1857) vertaalde zich in een commercieel succes. Een succes, dat de inwoners van het Normandische Ry niet ontging, en dat ze wisten te verzilveren. In Ry zijn de verwijzingen naar Flauberts roman en Emma Bovary legio. Uiteraard hebben ook andere Normandische dorpjes de naam Yonville geclaimd. Maar Yonville bestond allicht enkel in de verbeelding van Flaubert.

Het lievelingsboek van de maffia

Met klassiekers zoals ‘De peetvader’ wordt fictie werkelijkheid.

Regisseur Francis Ford Coppola vond het maar niets. Moest hij van die stationsroman nu echt een film maken? Het project weigeren was geen optie, want hij had geld nodig. Dus deed hij een tweede poging om Mario Puzo’s ‘The Godfather’ (1969) te lezen. Hij ontdekte toen in die stationsroman een klassiek verhaal over een vader en zijn zonen. Kortom: een verhaal, dat mooie cinema oplevert.

Van boycot tot deal.

Voor het scenario werkte Coppola samen, maar toch apart met Mario Puzo. Coppola werkte in San Francisco aan het script. Puzo in Los Angeles. Voor zijn script scheurde Coppola stukken uit ‘The Godfather’ en kleefde ze in een notitieboekje met aanwijzingen en ideeën voor zijn 50 scènes. Coppola en Puzo waren het niet altijd met elkaar eens, maar wisten altijd tot een akkoord te komen. Alleszins wou Coppola trouw blijven aan Puzo’s verhaal. Dit betekende dan ook filmen in New York, in Little Italy. Maar zo kwam hij wel in het vaarwater van de New Yorkse maffia.

Aanvankelijk deed de maffia er alles aan om de film te boycotten. Tot er op een gegeven moment een deal werd gesloten. Zo mochten de woorden maffia en Cosa Nostra niet het in het script voorkomen. En wat te denken van figuranten uit de rangen van de maffia? Een aantal huurmoordenaars hadden namelijk acteerambities. Naast leden van de maffia kreeg de filmploeg ook nog federale agenten op hun dak. Want waar de maffia was, was ook de FBI. Acteur Marlon Brando nam al snel de manieren over van de gangsters op de set, wat nog meer kleur en authenticiteit gaf aan zijn rol als Don Corleone.

Fictie wordt werkelijkheid.

Toen de film ‘The Godfather’ in 1971 in de zalen kwam, brak het alle records. Het was net als Puzo’s boek een hit en een instant filmklassieker. Later volgden nog twee films over de familie Corleone in 1974 en 1990.

Paramount Pictures was wel vergeten om uitnodigingen voor de première naar de maffia te versturen. Daar was de maffia niet blij mee. Ze kregen ter compensatie een eigen première, exclusief voor hun en hun entourage. De gangsters keken hun ogen uit. Vooral de respectbetuigingen aan de peetvader en het kussen van zijn hand of ring vonden ze magnifiek. Hoe kon het zijn, dat zij die gewoontes en rituelen niet hadden? Het duurde niet lang, of ze begonnen in navolging van de fictie met het kussen van de hand van hun peetvader. Ook namen ze de uitdrukkingen van Don Corleone over.

Puzo’s inspiratie voor Don Corleone.

Mario Puzo had Don Corleone gemodelleerd op zijn ongeletterde moeder. In de steek gelaten door haar man stond zijn moeder alleen voor de opvoeding van een 12-koppige kroost. Als jongen had Puzo haar dingen horen zeggen als: “Keep your friends close and your enemies closer” en “I’m going to make you an offer you can’t refuse.” Hoewel hij in Hell’s Kitchen, the place to be voor Iers-Amerikaanse gangsters, was opgegroeid, mocht hij niet buiten spelen, want daar was het gevaarlijk. Kinderen, die niet luisterden, kregen ervan langs met mama’s pollepel. Met diezelfde pollepel maakte mama evengoed heerlijke maaltijden. Naast lekker eten bestond de vrije tijd van de jonge Puzo voornamelijk uit het lezen van boeken uit de bibliotheek.

Miljonair dankzij commercieel werk.

Voor ‘The Godfather’ had Puzo twee literaire werken geschreven, die goede recensies kregen maar geen lezerspubliek vonden. Zijn uitgever merkte op, dat hij beter een boek had geschreven over Don Corleone. Don Corleone had namelijk een klein rolletje gehad in zijn laatste boek, ‘The Fortunate Pilgrim’ (1965). Voor het schrijven van een roman rond Corleone kreeg Puzo een voorschot van 5 000 dollar. Dit geld kon hij heel goed gebruiken, want hij had gokschulden. Hij werkte 3 jaar aan ‘The Godfather’, wat in een krappe woonomgeving met 5 opgroeiende kinderen, niet altijd evident was. Al wat Puzo schreef over de maffia had hij uit research. Met ‘The Godfather’ schreef hij zijn eerste commerciële werk. Het leverde hem miljoenen op. Toch vond hij het jammer dat hij het niet beter geschreven had.

‘The Godfather’ stond 67 weken onafgebroken in de bestsellerslijst van The New York Times. Tussen 1969 en 1971 gingen er 9 miljoen exemplaren van over de toonbank. De verfilmingen verdrievoudigde de verkoop. Met 21 miljoen exemplaren is ‘The Godfather’ een van de meest gelezen naoorlogse Amerikaanse romans. Door het boek hoorde de wereld voor de eerste keer over omerta en Cosa Nostra. De belangstelling voor de maffia was groot. In de jaren voor Puzo’s boek hadden al enkele leden van de maffia uit de biecht geklapt. De deal die Paramount Pictures sloot met de New Yorkse maffia was breed uitgesmeerd in de Amerikaanse pers. Daarnaast raakte Puzo’s verhaal over familiewaarden een gevoelige snaar.

Wat vond de maffia overigens van Puzo’s roman? De leden van de maffia aan wie Mario Puzo, allicht naar aanleiding van de film aan voorgesteld was, hadden het gelezen. Ze vonden het goed. Meer nog: het was hun lievelingsboek.

“Italians have a little joke, that the world is so hard a man must have two fathers to look after him, and that’s why they have godfathers.”

Voor dit blog gebruikte ik verschillende bronnen.
Interessant en leerrijk was de documentaire ‘The Godfather and the Mob’ op YouTube. Het filmpje bij dit blog komt ook van YouTube en is een scène uit ‘The Godfather’.