Blijf bij me van Ayọ̀bámi Adébáyọ̀

recensie (2) (1)

De dingen die liefde niet kan doen.

Ilesha, vanaf 1985. Het was liefde op het eerste zicht voor Akin Ayayi. Hij trouwde met Yejide Makinde nog voor het einde van het jaar waarin zij in zijn leven kwam. In het tweede jaar van zijn huwelijk begon het: de maandelijkse bezoeken van zijn moeder aan zijn kantoor. Zijn moeder nam telkens een andere vrouw mee. Omdat Yejide nog steeds geen kind had gebaard, moest Akin een tweede vrouw nemen. Als oudste zoon van zijn moeder kon hij niet kinderloos blijven. Twee jaar lang weerstond Akin die maandelijkse bezoeken. Maar dan begon zijn moeder te dreigen dat zij met de vrouwen naar hem thuis zou komen. Dat wou Akin Yejide niet aandoen, dus stemde hij in met een tweede huwelijk.

Er knapte iets in Yejide toen haar schoonfamilie met de tweede echtgenote, Fummi, op de stoep stond. Zij zag maar 1 oplossing: zwanger raken voor haar rivale. Echter, zij had de afgelopen 4 jaar al alles geprobeerd om zwanger te raken.

Dat Yejide uiteindelijk kinderen baarde, lees je in het eerste hoofdstuk, dat zich afspeelt in het jaar 2008. Je leest ook dat zij haar man na 15 jaar terug gaat ontmoeten. ‘Blijf bij me’ is een aangrijpend verhaal, dat je meevoert naar het politiek onstabiele Nigeria van de jaren ’80 en ’90. Het is een verrassend verhaal. Want de Nigeriaanse schrijfster voorzag haar debuut van verrassende plotwendingen. Het verhaal sleept je zo mee, dat je eigenlijk niet stil blijft staan bij sommige van die plotwendingen. Is Yejide, ondanks haar hoge opleiding, zo naïef? Of is zij een product van haar opvoeding en samenleving? Tradities en gebruiken zijn alleszins belangrijker dan het geluk van twee mensen. En tussen die twee mensen gaapt er een traditionele en maatschappelijke genderkloof, wat de communicatie enkel bemoeilijkt.

In de al rijke Nigeriaanse literatuur is de stem van Ayọ̀bámi Adébáyọ̀ een aanwinst.

“Er zijn dingen die zelfs de liefde niet kan doen. Als de last te zwaar is en te lang aanhoudt, krijgt zelfs de liefde barsten, scheuren, tot ze bijna breekt en dat soms ook doet. Maar zelfs als ze in duizend stukjes aan je voeten ligt, wil dat nog niet zeggen dat het niet langer liefde is.”

 

Hotel Claremont van Elizabeth Taylor

recensie (2) (1)

Laatste station voor het verpleeghuis. 

Ondanks al haar gebeden was haar man gestorven. Laura Palfrey staat er nu alleen voor. Toen zij bij haar dochter Elizabeth in Schotland logeerde, zag zij een advertentie in de zondagskrant. Verlaagde wintertarieven. Uitstekende keuken. Nu is zij per taxi onderweg naar Hotel Claremont. Als het er niet prettig is, hoef ik er niet te blijven, neemt Laura zich voor. Alleszins straalt het hotel fatsoen uit. Dat is al iets. Gelukkig is de taxichauffeur zo galant om haar te helpen met haar bagage, want de portier geeft geen teken van leven. De receptioniste is vriendelijk maar koel, alsof ze voor een verpleeghuis werkt.

Eigenlijk is Hotel Claremont het laatste station voor het verpleeghuis. Mevrouw Palfrey is niet de enige op leeftijd, die in het hotel haar ‘permanente’ intrek neemt. Niet dat er zo veel verschil is met een verpleeghuis, maar de oudjes hebben tenminste de illusie van grandeur. In Hotel Claremont kunnen ze koketteren met hun chique kleren. Mevrouw Palfrey en haar leeftijdgenoten behoren immers tot de generatie, die de stiff upper lip mentaliteit met de paplepel meekreeg. Zij zijn opgevoed tot burgers van het Grote Britse rijk, dat intussen tot het verleden behoort. In de jaren zestig waar ze nu zijn aanbeland, zijn die grote Engelse waarden – net als het hotel – in verval. Jonge mannen hebben veel te lang haar en lijken werkschuw. De tijdsetting heeft wel degelijk zijn belang voor het verhaal. Vertelt ‘Hotel Claremont’ daardoor dan een gedateerd verhaal? Verre van.

‘Hotel Claremont’ is een herkenbaar en diepmenselijk verhaal. Het vertelt namelijk het verhaal van hoe het is om oud te zijn. De laatste levensjaren zag Taylor, net als de eerste levensjaren, als hard werken. Aan het begin van je leven leer je elke dag iets bij. Op het einde van je leven verlies je elke dag iets nieuw. Ook moet je blijven doorgaan, ondanks de pijnlijke spataderen en andere kwalen. Hulpbehoevendheid betekent immers het verpleeghuis. Dood gaan in Hotel Claremont is uitgesloten. Dit genereert slechte reclame. Echt blij is de hoteleigenaar niet met de vier oude dametjes en de oude heer, die zijn hotel uitgekozen hebben om hun oude dag te slijten. Zeker niet, als zij dan ook nog brieven schrijven naar de krant, zoals meneer Osmond doet.

Een oude mensenhand is nochtans net als een kinderhand snel gevuld. Onverwachte gebeurtenissen en uitjes ontlokken een haast kinderlijke vreugde, en vooral een welgekomen onderbreking in hun veel te lange dagen. Naast al die kommer en kwel, dat hoort bij het oud zijn, is er de opmerkelijke vriendschap tussen mevrouw Palfrey en Ludo. De jonge aankomende schrijver, pikt mevrouw Palfrey letterlijk op van de straat. Hun vriendschap zorgt naast vlinders in de buik voor haar, ook voor de nodige luchtige en vrolijke noten in ‘Hotel Claremont’. Zeker als Ludo, op vraag van mevrouw Palfrey de plaats inneemt van haar vervelende kleinzoon Desmond. Taylors schrijfstijl is overigens onmiskenbaar Brits, waardoor de humor nooit ver weg is. Een traan en een lach is wat op het menu staat voor de lezer in ‘Hotel Claremont’.

De twee Hotel Francforts van David Leavitt

recensie (2) (1)

Vol symboliek.

Sinds mijn pensionering bij Ford liep ik rond met het idee om een boek te schrijven. Mijn vrouw, attent als zij is, had een artikel uitgeknipt met de titel ‘Tien regels die de beginnende schrijver in acht moet nemen’. Achteloos had ik het artikel in de la gestoken, waarin ik mijn parafernalia van mijn Europees verleden bewaar. Pas nadat ik driekwart van mijn boek had geschreven, las ik het artikel. Volgens het artikel had ik elke regel overtreden. Maar de realiteit is nu eenmaal anders. In fictie laat je best geen verhaallijn onuitgewerkt. Maar wat te doen met een oorlogsverhaal? Scheurt de oorlog verhalen niet voortdurend aan flarden…

Het boek dat ik schreef, gaat over de paar weken die ik in Lissabon doorbracht in de zomer van 1940. Net als de meeste Amerikanen, die jaren in Europa hadden gewoond, zat ik in zak en as bij het vooruitzicht van een terugkeer naar de VS. Mijn toenmalige vrouw Julia zag het helemaal niet zitten om terug te keren. In Lissabon leerden we het schrijversduo Freleng kennen. Net als wij woonden zij al jaren in Europa. Zij logeerden in het Francfort Hotel. Wij in het Hotel Francfort.

Dat Pete Winters het verhaal van zijn verblijf in Lissabon pas vele jaren later verteld, kom je in het laatste deel van ‘De twee Hotel Francforts’ te weten. In dat laatste deel besef je dat de realiteit in het verhaal slechts een illusie is. In de drie voorafgaande delen krijg je namelijk het verhaal van twee huwelijken. Het verhaal van het echtpaar Freleng en het echtpaar Winters.

De Frelengs hebben sinds de geboorte van hun kind geen seks meer gehad. Omdat Iris Edward niet wil verliezen, heeft zij seks met de mannen, die Edward voor haar uitkiest. Pete was bedoeld voor Iris. Maar Edward houdt hem voor zichzelf. In tegenstelling tot Pete is hij niet aan zijn proefstuk toe. Uiteraard mag Julia niets te weten komen over de hartstochtelijke affaire tussen haar man en Edward. Zij en Pete zijn enkel naar buiten toe een ideaal koppel. Hun huwelijk is net zo leeg als de Parijse flat waarin ze woonden. In Lissabon bedrijven ze overigens de liefde met de luiken open. De open luiken is maar een van de vele symbolen die Leavitt gebruikt. Wat aanvankelijk een verhaal lijkt van bedrog blijkt uiteindelijk een schitterend uitgewerkt psychologisch portret. Het laatste deel is verrassend. Niet alleen door de bewuste verwijzing naar het medium roman, maar ook door de indirecte wending in het verhaal naar Julia en haar voorgeschiedenis. Door de soepele stijl is ‘De twee Hotel Francforts’ geschikt voor een breed lezerspubliek. Het enige wat soms stoort, is dat de research van Leavitt net iets te veel doorsijpelt.

“Ik blijf het verbijsterend vinden: het menselijk vermogen tot zelfbedrog, waaraan ikzelf even schuldig ben als ieder ander, en net zo goed wanneer er iets te verliezen valt, als wanneer er wat te winnen valt. En misschien is dat vermogen wel iets goeds, iets noodzakelijks, een talent dat we moeten ontwikkelen om te overleven – totdat het moment komt waarop het ons de das omdoet.”