Een klasse apart van Joanne Harris

School in de problemen. 

September, 1981. “Hou je aan alle regels. St. Oswald is een nieuw begin.” Toch hoop ik iemand te vinden die de regels overtreedt. Iemand met wie ik leuke dingen kan doen. Dingen zoals moord.

September, 2005. Volgens de geruchten is ons nieuw schoolhoofd heel bekwaam. Hij heet Harrington. Toevallig ook de naam van een jongen aan wie ik een grondige hekel had, en die het middelpunt was van een schandaal. Ik was toen bijna gestopt. Maar ik ben er nog steeds, ondanks mijn leeftijd. Lesgeven is een verslaving. Net als de Gauloises, die ik stiekem rook. En de dropjes die ik snoep. Mijn nieuw lesrooster is karig. In plaats van de gebruikelijke 35 lesuren heb ik nu slechts 21. Latijn is spijtig genoeg een keuzevak geworden.

“Een leraar vergeet nooit een gezicht,
hoewel de namen van de jongens
vaak komen en gaan. Ik had de naam
aan toeval toegeschreven – in ruim
veertig jaar lesgeefpraktijk kom je de
meeste namen meer dan eens tegen.”

2004 was een bewogen jaar voor het katholieke jongensgymnasium St. Oswald. De school werd opgeschrikt door een moord en het vertrek van het schoolhoofd. Vandaar dat er nu een nieuw schoolhoofd komt, een die al twee falende scholen gered heeft.

Roy Straitley, leerkracht Latijn heeft al een paar schoolhoofden zien komen en gaan. Bij het nieuwe schoolhoofd heeft hij een slecht gevoel. Doctor Johnny Harrington blijkt inderdaad de jongen te zijn aan wie hij zo’n hekel had. De soort jongen, die een goede klas in een slechte verandert en een slechte in een angstaanjagende. De arrogante jongen is nu een glimlachende, zoetgevooisde politicus, die moeiteloos de corpus scholare (*) voor zich weet te winnen. Roy Straitley gelooft niet dat Harrington het goed meent met St. Oswald. Uiterlijk mogen mensen dan wel veranderen, innerlijk blijven ze dezelfde. De paar collega’s die weet hebben van het onheil dat Harrington en zijn vrienden brachten, weigeren echter om hun nek uit te steken. Straitley staat dus alleen in zijn strijd tegen de nieuwe schooldirecteur.

Naast Straitley is er nog de verteller van 1981. Een nieuwe leerling, die je tot halverwege het boek kent als Ziggy. Hij vertelt zijn krankzinnig verhaal in dagboekvorm. ‘Een klasse apart’ heeft veel goede elementen. Zo speelt ‘The Laughing Gnome’ van David Bowie een memorabele bijrol in het verhaal, en zet Harris je aan het denken. Toch wist ‘Een klasse apart’ me niet te overtuigen. Dat Ziggy zo lang ongestoord voor onheil zorgt, en ermee weggeraakt, is ongeloofwaardig.

(*) het lerarenkorps.

Het oog van de rode tsaar van Sam Eastland

Pretentieloze fictie tegen de achtergrond van een fascinerende periode.

Ze hadden hem bevolen om gevangene 4745-P van werkkamp Borodok op te halen. En ze hadden hem geadviseerd geen wapen mee te nemen. Een advies dat de jonge volkscommissaris Kirov ter harte nam. Het duurde uren vooraleer hij de gevangene sprak. 4745-P werkte als boommarkeerder in de bossen rond Borodok. Toen hij 7 jaar geleden in het kamp aankwam, stuurde de directeur hem prompt de bossen in. De directeur wou niet het risico lopen dat de andere gevangenen te weten kwamen wie de man was. Nadat Kirov hem een aktetas overhandigde, vroeg hij hem om naar zijn auto te komen voor zonsondergang de volgende dag. De man daagde op en Kirov bracht hem naar kameraad Starek. Aangekomen bij Starek bleek de man zijn broer te zijn. Maar waarom nam Starek een andere naam aan? En waarom maakt de naam van de man iedereen zenuwachtig?

Ze noemden hem het oog van de tsaar. De onkreukbare inspecteur Pekkala legde enkel verantwoording af bij Nicolaas II van Rusland. Zelfs de geheime dienst van de tsaar mocht de Fin niet ondervragen. Nu heeft Stalin een opdracht voor Pekkala. Blijkbaar is de vindplaats van de lijken van de Romanovs gevonden. Pekkala is de enige nog levende persoon die de Romanovs gekend heeft, en die getraind is in recherchewerk.

In ‘Het oog van de rode tsaar’ maakt Eastland handig gebruik van de mysterieuze omstandigheden rond de dood van de laatste tsaar en zijn gezin. Eastland veroorloofde zich een aantal vrijheden, wat niet iedereen op prijs zal stellen, maar ‘Het oog van de rode tsaar’ is nu eenmaal fictie. Niettemin is het duidelijk dat de schrijver veel research deed. Het verhaal laveert constant tussen het heden en het verleden. Het verleden gaat vooral over Pekkala en de tsaar, maar ook over zijn kindertijd, zijn grote liefde, zijn opleiding en zijn opsluiting tijdens de revolutie. Wat opvalt, is hoe sober en eenvoudig Eastland zijn verhaal vertelt. Door zijn setting is ‘Het oog van de rode tsaar’ het soort verhaal waarin auteurs vaak uitpakken met ingewikkelde politieke complotten, maar Eastland toont aan dat het ook anders kan.

“Pekkala zat aan het bureau het vaalgele dossier met de rode diagonale streep op het omslag te lezen. In zware letters stond op de rode streep geschreven: ZEER GEHEIM. Het woord ‘geheim’ op zich had geen betekenis meer. Alles was tegenwoordig geheim. Behoedzaam sloeg hij de pagina’s om.”

Het oog van de rode tsaar’ is het eerste deel van een zevendelige reeks rond inspecteur Pekkala en zijn assistent Kirov. Een reeks, waarin het voormalig oog van de tsaar het oog wordt van de rode tsaar, Stalin. Enkel de eerste twee delen zijn in het Nederlands vertaald. De rest van de serie moet je in een andere taal lezen.

Die nacht zag ik haar van Drago Jančar

Een pareltje uit de Balkan.

Slot Strmol, Slovenië. Hier woonde van 1936 tot 1944 het echtpaar Hribar. Hij, Rado was een rijke bankier en industrieel. Zij, Ksenija was een eigenzinnige vrijgevochten vrouw. Het kosmopolitisch echtpaar nodigde graag gasten uit. Ook tijdens de oorlog bleven ze binnen- en buitenlandse gasten ontvangen. Op een januarinacht in 1944 verdween het paar onder mysterieuze omstandigheden.

“Ze kwamen in de winter, als wolven in de nacht. Ze waren ongeveer met zijn tienen, misschien nog meer, en allemaal gewapend.”

Het verhaal van het echtpaar Hribar inspireerde Jančar tot het schrijven van ‘Die nacht zag ik haar’. De titel van het boek is ook de openingszin van zijn verhaal rond Veronika Zarnik. Veronika is een onalledaagse vrouw in onalledaagse tijden. Het eerste hoofdstuk speelt zich grotendeels voor de oorlog af, en zet de toon voor de rest van het verhaal. Aanvankelijk leer je Veronika kennen via haar minnaar. Hij is maar een van de vijf mensen die je meer vertellen over de mysterieuze verdwijning van het echtpaar Zarnik voor, tijdens en na die nacht in januari. De verhalen overlappen elkaar gedeeltelijk. Maar vullen elkaar vooral aan.

Doordat de vertellers hun verhaal in ik-perspectief vertellen, vertellen ze wat ze kwijt willen, en dat is niet altijd de waarheid. Soms is het makkelijker om te stellen dat het nu eenmaal oorlog was, en er dingen uit de hand liepen. Knap is hoe de auteur elke verteller een eigen stem gaf. Kortom: ‘Die nacht zag ik haar’ is een meer dan geslaagd verhaal over kleine en grote menselijke thema’s. Het verhaal gaat namelijk niet alleen over ons onfortuinlijk echtpaar, maar ook over de situatie in Slovenië en Joegoslavië tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Sloveen schreef met ‘Die nacht zag ik haar’ een pareltje, dat een ruim publiek verdient.