Tussen de raderen van Hermann Hesse

Een pleidooi voor de kunst, de natuur en fysiek werk.

Er zijn veel mensen bij de begrafenis. Kennissen van de overledene en zijn vader, maar ook nieuwsgierigen. Hans Giebenrath was immers een lokale beroemdheid. Een jongen met een goed stel hersens, waar veel van verwacht werd. Het beruchte staatsexamen in Stuttgart, het toegangsticket tot het seminarie, was voor hem een makkie. De verwachte prestaties bleven echter uit. Het was een gebroken Hans, die terugkwam van het seminarie. De laatste tijd ging het beter met hem. Hoe hij in het water was geraakt, wist niemand.

“En tegelijkertijd dreef de zozeer bedreigde Hans reeds koel en stil en langzaam in de donkere rivier stroomafwaarts. Walging, schaamte en verdriet waren van hem afgenomen, de koude, blauwachtige herfstnacht keek neer op zijn tengere lichaam dat daar donker wegdreef, met zijn handen en haren en bleke lippen speelde het zwarte water. “

Samen met Stefan Zweig en Thomas Mann is Hermann Hesse een van de belangrijkste Duitstalige schrijvers van de twintigste eeuw. Voor een heel generatie jongeren was hij een goeroe. Hesses werk zet namelijk aan tot nadenken.

‘Tussen de raderen’ is een autobiografisch werk, waarin Hesse een antwoord zocht op zijn falen op het seminarie van Maulbronn. Deze vertelling kan in de eerste plaats gelezen worden als een aanklacht tegen een onderwijssysteem waarin ouders en docenten hun kinderen onnodig onder druk zetten. Boude uitspraken als ‘wat ben je met de kennis van het Hebreeuws als de schoonheid van je omgeving je ontgaat’ en ‘leerkrachten hebben liever ezels dan genieën in hun klas’ zijn zeker niet achterhaald. Bovendien stopt presteren niet in onze vormende jaren. We leven immers in een prestatiegerichte maatschappij. Eigenlijk is ‘Tussen de raderen’ een pleidooi voor de kunst, de natuur en fysiek werk. Dingen, die Hesses geest versterkte. Want een gezonde geest kan enkel overleven in een gezond lichaam. In die zin nodigt ‘Tussen de raderen’ uit om op zoek te gaan naar jezelf.

Oorspronkelijke titel: Unterm Rad.
Jaar van publicatie: 1906.

Anna van Dezső Kosztolányi

Sociale schets van het twintigste-eeuwse Hongarije.

1919, Boedapest. Angéla Vizy heeft al veel dienstmeisjes gehad. Maar Anna Édes is een verademing. Dankzij de ijverige en plichtbewuste Anna is haar huis een pareltje van netheid. Anna is nu al 9 maanden in dienst. Zo lang heeft Angéla Vizy nog nooit een dienstmeisje gehad. Zij had altijd wel iets aan te merken op haar dienstmeisjes: ze waren lui, ze stalen, ze waren manziek. Maar Anna is anders. Iedereen in de wijk kent Anna. Want Angéla zingt haar lof. Tot die fatale avond…

Die fatale avond zie je niet aankomen. En over Anna’s beweegredenen kom je ook niets te weten. Hoewel de roman haar naam draagt, blijft ze een schim. De dienstbodes bij de Hongaarse notabelen en de burgerij doen alles, maar ze krijgen er zelden of nooit erkenning voor. Want mevrouw Vizy mag dan wel opscheppen over Anna. Je kan er zeker van zijn, dat zij net als iedereen van haar klasse, dienstpersoneel ziet als een ander slag van mensen: ze zijn anders en ze denken anders.

Aanvankelijk lijkt ‘Anna’ gedateerd. Maar van het moment dat de auteur de notabelen laat spreken over hun dienstpersoneel, valt je mond open van verbazing. En blijkt ‘Anna’ toch niet zo gedateerd te zijn. Kosztolányis kritiek op de Hongaarse notabelen is mild. Net als zijn kritiek op de werkende klasse, die tot uiting komt in de figuur van Fiscor. De personages zijn mooi uitgewerkt in deze sociale schets van de Hongaarse samenleving aan het begin van de twintigste eeuw.

Ronduit schitterend is de stijl waarin ‘Anna’ is geschreven. De Hongaarse auteur was en is vooral gekend als stilist. Dezső Kosztolányi (1885-1936) is een van de belangrijkste auteurs uit de Hongaarse literatuur van de twintigste eeuw. Ik ontdekte dit boek en zijn auteur dankzij het blog ‘Met de neus in de boeken’ van Tea van Lierop. Net als Tea wil ik graag meer lezen van deze auteur.

Oorspronkelijke titel: Édes Anna.
Jaar van publicatie: 1926

Praagse nachten van Benjamin Black

Misdaad in het middeleeuwse Praag.

Praag, 1599. Het kan niet anders of Christian Stern is de door God gezonden ster. Zijn naam is een voorteken. Hij wordt dan ook ontvangen door keizer Rudolf II. Die vraagt hem de moordenaar te zoeken van Magdalena Kroll, zijn minnares.

Die keizerlijke opdracht drukt zwaar op Sterns gedachten. Op de eerste nacht van zijn aankomst in Praag ontdekte hij namelijk het lijk van Magdalena Kroll. Felix Wenzel, de eerste minister liet hem arresteren voor die moord. De kennismaking met de gevangenis is hem slecht bekomen. Bovendien is hij een geleerde en geen onderzoeker van misdaden. Wat gaat er met hem gebeuren als hij niet slaagt in zijn opdracht? Waar moet hij beginnen? Wie moet hij ondervragen?

De oplossing valt uiteindelijk in zijn schoot, helemaal op het einde van het verhaal. Je bent al bijna vergeten dat hij een moordenaar zocht. De moord is in ‘Praagse nachten’ slechts een middel voor Black om iets meer te vertellen over het middeleeuwse Praag en het leven aan het hof van keizer Rudolf II. Stern is geen sympathiek personage; hij is jong en arrogant en heeft weinig tot geen inzicht in de mensen rondom hem. Hij vertelt zijn verhaal als een oude man, terugkijkend op zijn tijd in Praag, toen hij nog vol was van zichzelf.

Deze historische whodunit is fictie van de bovenste plank. Je waant je zo aan het hof van keizer Rudolf II met zijn alchemisten, geleerden en slinkse hovelingen. Het verhaal is geloofwaardig en het proza schitterend. Achter het pseudoniem Benjamin Black zit niemand minder dan de Ierse Nobelprijskandidaat John Banville. Banville gebruikt dit pseudoniem voor zijn thrillers.

Oorspronkelijke titel: Prague Nights.
Jaar van publicatie: 2017.