Focus van Arthur Miller

Wie Arthur Miller zegt, zegt toneelstukken. Voor zijn meest bekende toneelstuk ‘Death of a salesman’ kreeg hij in 1949 de Pulitzer Price. Bekend werd hij echter met zijn roman ‘Focus’ uit 1945. Meer dan 900 000 exemplaren van ‘Focus’ in hardcover gingen toen over de toonbank. Het was een van de eerste Amerikaanse romans over antisemitisme in Amerikaanse steden. ‘Focus’ is Millers enige roman.

Een wijk in Brooklyn, New York tijdens de Tweede Wereldoorlog. Newman, een doorsnee Amerikaan werkt als personeelschef bij een grote firma. Joden zijn bij de firma niet welkom en Newman weet ze eruit te halen. Onlangs maakte hij een vergissing en wierf een joodse typiste aan. Zijn vergissing is te wijten aan het achtergaan van zijn ogen. Newman heeft een bril nodig. De bril geeft hem echter een joods uiterlijk. Voor Newman het goed en wel beseft, is hij zijn job kwijt, klinkt zijn naam ineens joods, en als hij dan ook nog Gertrude Hart leert kennen, is het hek helemaal van de dam. Gertrude Hart, die al snel mevrouw Newman wordt, heeft een joods uiterlijk. Dus krijgt Newman net als de joodse buurtkruidenier Finkelstein waarschuwingen, want de buurt wil geen joden in haar midden.

De obsessie met etniciteit en godsdienst zorgt voor een onheilspellend effect. Enkele scènes zorgen voor een tegenwicht, waardoor je beseft dat literatuur een manier is om de waarheid aan te kaarten. De thematiek van antisemitisme lag Miller immers na aan het hart. Het concept is sowieso interessant. Iemand die niets van joden en kleurlingen moet weten, wordt zelf het doelwit van discriminatie en fysieke bedreigingen. En dat allemaal vanwege een bril. De bril werkt uiteraard ook als metafoor. Zij zorgt ervoor dat Newman een positie inneemt en verandert. Op het einde doet Newman uiteindelijk wat hij bij aanvang van het verhaal had moeten doen: naar de politie gaan. Of hij het inderdaad voor een ander zou doen, is nog maar de vraag. De tot inkeer gekomen Newman is niet geloofwaardig, op dat punt blijven de personages in ‘Focus’ te vlak.

 

 

De Weense sigarenboer van Robert Seethaler

Alois Preininger, de rijkste man van Salzkammergut, is niet meer. Mevrouw Huchel zal geen cheques meer van Preininger krijgen, en haar zeventienjarige zoon Franz zal niet meer kunnen lanterfanten. Omwille van zijn fijne handen ziet mevrouw Huchel geen toekomst voor Franz in Salzkammergut. Bovendien hangt er iets in de lucht. Gelukkig kent zij iemand in Wenen met een sigarenzaakje. De sigarenboer, Otto Trsnjek is haar nog iets schuldig. Dus schrijft mevrouw Huchel hem met de vraag of hij werk heeft voor Franz. Na Otto’s positieve antwoord vertrekt Franz naar Wenen.

In Otto’s sigarenzaakje wordt Franz al direct ingewijd in de geheimen van het leven van een sigarenboer. Als er niets dringends af te handelen is, moet Franz rustig zitten en kranten lezen. De krantenverkoop is de kernactiviteit van Otto’s zaakje. Daarnaast moet hij alles leren over sigaren, de voorliefdes en de gewoontes van de klanten.

Naast de vele nep freules en nep doctoren heeft Otto een echte professor onder zijn klanten. Sigmund Freud, de befaamde gekkendokter blijkt prettig in de omgang. Franz zal verschillende keren buiten Otto’s zaak met Freud spreken, vooral wanneer hij voor het eerst in zijn leven verliefd wordt en vergaat van de liefdespijn. Niet alleen Franz’ kleine wereld is roerig en onvoorspelbaar, ook maatschappelijk gebeurt er veel. Het is nog maar een kwestie van tijd vooraleer Duitsland Oostenrijk zal annexeren, en de Gestapo zijn intrek zal nemen in hotel Metropool. 1937 zal de levens van Franz Huchel, Otto Trsnjek en de Joodse Sigmund Freud grondig veranderen.

Naast geslaagde scènes en de sfeertekening van een langzaam veranderend Wenen waarin bruinhemden de dienst gaan uitmaken, zijn er ook minder geslaagde en saaie delen in ‘De Weense sigarenboer’. Eigenlijk wou Robert Seethaler een verhaal schrijven rond Freud. Hij creëerde Franz Huchel om via hem de hoogbejaarde en fragiele Freud gestalte te kunnen geven. De scènes tussen Franz en Freud zijn dan ook enorm geslaagd. Contrasten werken immers goed: Freud heeft levenswijsheid terwijl Franz heel naïef is. Met de annexatie verliest Franz al snel zijn naïviteit, zeker als de Gestapo zijn baas arresteert. Otto verkocht onder de toonbank namelijk pornoblaadjes aan Joodse heren. Franz’ liefdesgeschiedenis voert je overigens naar een louche kroeg, waar Franz’ voorwerp van liefde een erotische dans voor de Weners ten beste geeft. Naast al die erotische levensdriften en lusten komt er een moment, dat het er voor Franz niet meer toe doet. Vanaf dan is het enkel een kwestie van pagina’s vooraleer het doek valt over ‘De Weense sigarenboer’.

Brooklyn van Colm Tóibín

Terwijl ze de brief van haar man Tony leest, maakt Eilis zich de bedenking dat ze beter niet met hem was getrouwd. Niet omdat ze niet van hem houdt en zich bedacht heeft, maar omdat ze haar moeder nooit iets over Tony verteld heeft. Ze kan haar tijd in Ierland niet rijmen met haar tijd in Brooklyn. Het lijkt allemaal zo onwezenlijk. Net als de dood van haar zuster Rose.

Twee jaar geleden vond Eilis Lacey in Ierland geen werk. Nu kan zij gaan werken voor de baas van haar zus. Jim Farrell zag haar vroeger niet staan. Nu is hij niet weg te slaan van haar. Eilis geniet van die aandacht. Maar hoelang kan ze verzwijgen dat ze in Brooklyn met Tony in ondertrouw is gegaan? En hoe kan ze dit op een goede manier aanbrengen? Gaat haar omgeving het wel begrijpen? Iedereen verwacht dat Eilis niet meer zal teruggaan naar Brooklyn. Rose is dood. Haar broers, Jack, Pat en Michael werken en leven in Engeland. En Eilis kan haar moeder, een weduwe, toch niet alleen laten…

In ‘Brooklyn’ vertelt Tóibín een klassiek emigratieverhaal gesitueerd in de jaren na de Tweede Wereldoorlog, met een onverwachte en spitsvondige wending. Zo vertrekt Eilis Lacey naar Amerika, waar de Ierse pastoor Flood haar aan werk in een warenhuis helpt. Zij leeft in een Iers pension en gaat naar dansavonden in de Ierse parochie van pastoor Flood. Eigenlijk leeft zij in Brooklyn net als thuis. Althans zo lijkt het toch, want in werkelijkheid is alles anders dan thuis. Tóibín zegt het alleen niet in zoveel woorden. ‘Brooklyn’ is immers het portret van een jonge Ierse vrouw die haar eigen weg zoekt in een nieuw land, daar verliefd wordt en toekomstplannen maakt.

De cultuurverschillen duiken pas in het laatste deel van het verhaal op, wanneer Eilis na de dood van haar zus naar Ierland op vakantie gaat. Hoe kan zij die verschillen uitgelegd krijgen? Begrijpt zij ze zelf wel? Toch weet Tóibín het ongezegde tastbaar te maken. Voor zijn schitterende ‘Brooklyn’ neem je dan ook best de tijd om de subtiele details in je op te nemen, en stil te staan bij zijn sterke heldin.