Gespot: Stijloefeningen

In ‘Gespot’ zet ik een nog te verschijnen boek in de kijker. Vandaag heb ik het over de heruitgave van ‘Stijloefeningen’ van Raymond Queneau.

Tijdens een reis naar Griekenland merkte Raymond Queneau (1903-1976) grote verschillen op tussen het gesproken en geschreven Nieuwgrieks. Tegelijkertijd besefte hij dat die verschillen ook in het Frans aanzienlijk zijn. Als schrijver gebruikte hij bijgevolg alle mogelijkheden van de taal: woordspelingen, klanknabootsingen, fonetische spellingen, enz. 

In ”Excercises de style” uit 1947 vertelde hij eenzelfde gebeurtenis op 99 verschillende manieren. Schrijver Rudy Kousbroek zette het in 1978 om naar het Nederlands en verplaatste de handeling naar Amsterdam. Sindsdien is ”Stijloefeningen” vaak gebruikt in schrijfcursussen.

De afbeelding bij dit blog komt van Wikimedia Commons en is van Jean-Max Albert.

Fictieve held: de gentleman-inbreker

Umberto via Unplash

De meeste literaire helden schitteren enkel op papier. Sommige vinden hun weg naar andere cultuuruitingen. Dit dankzij hun intelligentie en hun lange vingers. Arsène Lupin is de bekendste. Maar zeker niet de enige. 

De gentleman-inbreker staat in de schaduw van Sherlock Holmes. Want net als de grote detective is de gentleman-inbreker een meester in de vermomming. 

Van links naar rechts: Raffles en Bunny, Arsène Lupin en Lord Lister.

A.J. Raffles.

Cricketspeler Arthur J. Raffles was de eerste gentleman-dief. Zijn geestelijke vader, E.W. Hornung (1866-1921), was getrouwd met een zus van Sir Arthur Conan Doyle. Voor de creatie van Raffles en zijn assistent Harry ‘Bunny’ Manders baseerde Hornung zich op zijn vrienden Oscar Wilde en Lord Alfred Douglas. En op de literaire helden van zijn beroemde schoonbroer. 

Doyle vond het geen goed idee dat Hornung een crimineel tot held verhief. Maar Raffles en Bunny wisten de lezer al snel voor zich in te palmen. Holmes bleef weliswaar de populairste, maar Raffles wist de tweede plaats te verzekeren. 

Arsène Lupin.

Ook in Frankrijk stonden mensen in de rij voor de avonturen van Holmes en Raffles. Een Frans antwoord drong zich dan ook op.

Uitgever Pierre Lafitte van het wetenschappelijke tijdschrift ‘Je sais tout’ vroeg aan schrijver Maurice Leblanc (1864-1941) of hij een feuilleton kon voorzien met een personage gebaseerd op Raffles dat de concurrentie aankon met Sherlock Holmes. Het feuilleton dat Leblanc aanleverde, heette: ‘L’Arrestation d’Arsène Lupin’ (1905). Door het grote succes van het feuilleton zag Leblanc zich genoodzaakt om Lupin te laten ontsnappen uit de gevangenis. 

In tegenstelling tot Raffles wiens avonturen duurde tot 1914, bleef Lupin tot aan de dood van Leblanc avonturen beleven. Leblanc dacht er meermaals aan om te stoppen met Arsène Lupin. Maar de gentleman-dief was te populair. Voor de Fransen is Arsène Lupin overigens nog steeds een icoon. 

Naast de gelijkenissen tussen de twee gentleman-dieven zijn er ook verschillen. Voor beide is stelen weliswaar een sport, maar voor Raffles is het een noodzaak. Lupins motief is wraak: hij wil het onrecht wreken dat zijn vader is aangedaan. 

Lord Lister.

Met Lord Lister creëerde Kurt Matull een Duitse Raffles. ‘Lord Lister, genannt Raffles, der Meisterdieb’ verscheen in 1908 in een Duits pulpblad. Zijn avonturen verschenen onder meer in Nederland en België.

Inspecteur Baxter van Scotland Yard vroeg Sherlock Holmes of hij hem kon helpen bij het klissen van Lord Lister. Maar Holmes bedankte daarvoor.

De weigeraar van Ian McGuire

Manchester, 1867.

De avond voor de ophanging is het rustig. Hoofdagent James O’Connor verwacht geen ongeregeldheden. Represailles voorziet hij pas over een maand of twee. 

Een dag later verneemt hij via een informant dat er een Ierse oorlogsveteraan van de Amerikaanse Burgeroorlog op weg is naar Manchester. Die oorlogsveteraan zal voor flinke opschudding zorgen. Geweld is niet uitgesloten. Want alle middelen zijn goed voor de Fenians om de Engelse heerschappij over Ierland te beëindigen. 

Hoewel hij zelf een Ier is, is het O’Connors opdracht om de aanslagen van de Fenians te verijdelen, zo nodig met geweld. 

“Tommy Flanagan is zo goed als onherkenbaar. Het grootste deel van zijn gezicht is weggeschoten en wat ervan over is, is verwrongen, vervormd en ziet zwart van het bloed, als een stuk vlees dat te lang in de oven heeft gelegen.”

Dat geweld weet McGuire trefzeker neer te zetten, zonder ooit in gore details te vervallen. Of te mikken op sensatie. Door de stedelijke setting, het gekweld hoofdpersonage en de melancholische toon heeft ‘De weigeraar’ veel van een film noir. De laatste hoofdstukken, waarin O’Connor de oorlogsveteraan Doyle volgt naar de VS voelen anders aan: de Engelse industriesteden met hun overbevolkte straten worden dan vervangen door weidse Amerikaanse landschappen en afgelegen boerderijen en huizen. Deze lezer voelde zich in die laatste hoofdstukken dan ook enigszins ontheemd.

Een confrontatie tussen O’Connor en Doyle is uiteraard onvermijdelijk: het is een wetmatigheid dat de held het opneemt tegen de schurk. Maar het loopt niet zoals je zou verwachten. Clichés zijn duidelijk niet aan de auteur besteed. De mannen krijgen overigens een interessant achtergrondverhaal mee. Bij O’Connor vraag je zelfs af, hoe het komt dat hij niet aan de kant van het Broederschap staat. Hij heeft meer redenen om de Engelsen te haten dan Doyle.

Het verhaal leent zich voor een feuilleton. Want ofwel eindigt een hoofdstuk met een cliffhanger, of begint het met een nieuw gegeven. McGuire weet er goed de vaart in te houden. Naast een flair voor timing en opbouw heeft hij een goed oog voor een accurate historische achtergrond. Het Broederschap, het latere IRA, was toen inderdaad actief in Engeland. De oprichters en geldschieters zaten in de VS, en zij ronselden vooral onder de Ierse oorlogsveteranen van de Amerikaanse Burgeroorlog. 

Spannende historische fictie heeft vooral een meerwaarde als de auteur je doet beseffen dat er niets veranderd is. Dat we alleen maar rond en rond weten te draaien. Dat er altijd een gewelddaad komt, die nog vreselijker is, en ergens toch ook weer precies dezelfde. 

“Alles is anders, denkt hij, en alles is hetzelfde. Tijd verandert in herinnering, en herinnering verandert in de poel waarin we verdrinken.”  

Oorspronkelijke titel: The Abstainer.
Jaar van publicatie: 2020.

%d bloggers liken dit: