
Op 14 februari 1989 vaardigde de Iraanse geestelijke leider ayatollah Ruhollah Khomeini een fatwa uit tegen Salman Rushdie. De auteur werd ter dood veroordeeld wegens de publicatie van De Duivelsverzen (1988).
In deze roman verweeft Salman Rushdie migratie, identiteit, religieuze verbeelding en satire met elementen van magisch realisme. Een van de droomhoofdstukken verwijst naar een omstreden episode uit de vroeg-islamitische traditie: de zogenaamde duivelsverzen. Wat voor Rushdie een literair motief was, werd door sommige gelovigen ervaren als een aantasting van de integriteit van de profeet en de openbaring.
Kort na verschijnen leidde het boek al tot protesten, maar de controverse escaleerde pas echt na Khomeini’s fatwa. Boekhandels werden bedreigd, vertalers en uitgevers aangevallen, en het debat over kunst, religie en vrijheid kreeg een nieuwe lading.
Vandaag geldt de Rushdie-affaire als een keerpunt in de wereldwijde discussie over vrije meningsuiting. Ondanks jarenlange bedreigingen bleef Rushdie zich inzetten voor vervolgde schrijvers via zijn werk bij PEN America en PEN International.
