
Op 19 juli 1898 stapte Émile Zola in Londen van de trein, met een in krantenpapier gewikkeld nachthemd onder de arm en een papiertje waarop enkel het adres van zijn hotel stond. In Parijs hing hem een jaar cel boven het hoofd wegens smaad. Nog voor de politie hem kon oppakken, had hij de stad halsoverkop verlaten.
Zes maanden eerder had Zola zijn open brief J’accuse gepubliceerd, waarin hij de Franse overheid beschuldigde van een bewuste doofpotoperatie in de zaak-Dreyfus. Kapitein Alfred Dreyfus was in december 1894 ten onrechte veroordeeld voor hoogverraad, en Zola’s brief scheurde de Franse samenleving in twee kampen: zij die geloofden in Dreyfus’ onschuld, en zij die hem schuldig achtten. Het was trouwens niet de eerste keer dat een tekst van Zola de gemoederen deed oplaaien; het was haast een constante in zijn carrière dat lezers en critici zich in twee kampen verdeelden. Ook stond zijn volledige romancyclus Les Rougon-Macquart op de index van verboden boeken van de Rooms-Katholieke Kerk.
Reputatie opgebouwd op controverse.
Meer dan dertig jaar eerder had Zola met zijn eerste belangrijke roman Thérèse Raquin een storm van verontwaardiging doen losbarsten. Met die roman ging hij verder dan het realisme en achtte hij geen enkel aspect van de menselijke conditie te smerig om over te schrijven. Zijn harde verhaal over overspel, moord en waanzin verdeelde niet alleen Frankrijk, maar ook Engeland in twee kampen. Zola’s idee dat mensen gedreven worden door erfelijkheid en hun zenuwstelsel botste met het Engelse wereldbeeld van zelfbeheersing en morele verantwoordelijkheid. Toch had hij bewonderaars voor zijn innovatieve romans aan beide kanten van het kanaal. Net als in Frankrijk was Zola ook in Engeland uitgegroeid van schandaalschrijver tot serieuze, invloedrijke romancier en morele autoriteit.
Schrijvers waren in die tijd de rocksterren van onze tijd: als zij iets zeiden of deden, was dat wereldnieuws. Zola’s open brief en alles rond de Dreyfus-affaire waren dan ook bekend bij Engelse krantenlezers. De man die op 19 juli 1898 in Londen aankwam, was dus geen onbekende, maar een VIP, en de Engelse pers kreeg al snel lucht van zijn verblijf.
Stille bondgenoot.
Gelukkig kon Zola rekenen op de hulp van zijn Engelse vertaler, Ernest Vizetelly. Vizetelly schermde hem af van nieuwsgierige journalisten, Franse spionnen en politieke tegenstanders, en tegelijkertijd promootte en verdedigde hij Zola’s werk. Tijdens zijn ballingschap in Engeland verhuisde Zola verschillende keren om zijn anonimiteit te bewaren. Het was Vizetelly die telkens discrete logeeradressen wist te regelen in Londen, Wimbledon, Norwood en Weybridge. Hij zorgde bovendien voor praktische zaken: sokken, lange onderbroeken, papier — alles wat Zola nodig had om te kunnen leven en te blijven schrijven.
Financiële reddingslijn.
Zola leefde in Engeland relatief eenvoudig, maar niet in armoede, wat hij te danken had aan zijn Franse uitgever, Fasquelle. Die volgde de juridische verwikkelingen in Frankrijk op de voet en reisde naar Engeland om Zola te informeren en hem eventueel te begeleiden zodra een terugkeer mogelijk was. Ook beheerde hij Zola’s inkomsten uit publicaties, deed betalingen en stortte regelmatig geld door. De geldboetes waartoe Zola veroordeeld was, werden door Fasquelle betaald, zodat er geen beslag werd gelegd op Zola’s eigendommen. Daarnaast was hij bereid extra steun te bieden zolang Zola niet kon publiceren of werken in Frankrijk.
Zijn emotionele steunpilaren.
De onvoorspelbaarheid van zijn ballingschap en het steeds op zijn hoede zijn, waren een gruwel voor Zola. Hij was een man met nauwgezette gewoontes, iemand die gewend was om elk aspect van zijn leven te reguleren. Thuis in Parijs had hij zijn leven geconstrueerd rond zijn werk en zijn twee vrouwen.
Sinds 1864 woonde Zola samen met Alexandrine Meley, met wie hij getrouwd was. Alexandrine was zijn rots in de branding, zijn vertrouwelinge. Hun huwelijk bleef echter kinderloos. Met Jeanne Rozerot, die hij in 1888 had leren kennen, had hij twee kinderen. Toen Alexandrine — allicht via een anonieme brief — lucht kreeg van zijn affaire, dreigde zij hem te verlaten. Maar nadat Zola haar had verzekerd dat hij haar niet zou verlaten voor de veel jongere moeder van zijn kinderen, draaide ze bij. Vanaf dan bracht Zola zijn nachten en ochtenden thuis door bij Alexandrine, en zijn middagen met Jeanne en de kinderen.

Tijdens zijn ballingschap kwamen beide vrouwen hem bezoeken, op verschillende momenten. Zola koesterde die bezoeken, zag ernaar uit, maar vreesde tegelijkertijd voor zijn anonimiteit.
In dienst van de waarheid.
Pas toen zeker was dat Dreyfus een nieuw proces zou krijgen, keerde Zola terug naar Frankrijk. Hij had elf maanden in Engeland doorgebracht als banneling. Die ballingschap was een bijzondere episode in zijn leven, waarin hij de chaos van Parijs inruilde voor een ingedut bestaan in Engeland, waar hij had geworsteld om zijn drie levenslijnen met elkaar verbonden te houden: zijn echtgenotes, zijn literaire werk en zijn politieke overtuigingen. Soms werd het hem allemaal te veel; op andere momenten voelde hij rust en hoop.
Hij had die open brief niet moeten schrijven. Hij was al genoeg opgekomen voor de underdog, had zich van bittere armoede opgewerkt naar een zekere welstand. Maar vijftien jaar eerder had hij letterlijk geschreven:“Ik heb nooit anders willen wezen dan een overtuigd soldaat in dienst van de waarheid.”
