Alice en ik

Met haar lange blonde haren, haar blauw jurkje en wit schortje ziet ze er nog steeds hetzelfde uit. Ik leerde haar kennen via een strip, waarin ze me meenam naar een Wonderland, vol met speelkaarten, een gekke hoedenmaker, een waterpijprokende rups, een grijnzende kolderkat en een wit konijn met een horloge. Zij raakte een gevoelige snaar in mijn kinderhartje. Want ik gaf me een tijdlang uit voor haar, tot grote verwarring van mijn kleuterjuf. Zelf heb ik daar geen herinneringen aan; het is een naverteld feit.

De strip, daarentegen, kan ik me nog voor mijn geestesoog halen. Het was geïnspireerd op de film van Walt Disney, want zij had die typische grote ogen van tekenfilmhelden.

Ik neem het mezelf nog steeds kwalijk, dat ik als tiener tekstballonnen begon te lezen. Want op die fatale dag verdween de magie van mijn kindertijd. Ik had immers jarenlang mijn eigen fantastische verhalen verzonnen rond de kleurige plaatjes die ik bekeek. De avonturen van mijn striphelden, Suske en Wiske en Jommeke waren bij lange na niet zo spannend meer als daarvoor. Of dit ook opging voor mijn Alicestrip, weet ik niet meer. Ik zag het toen allicht voor wat het was: een warrig kinderverhaal.

Jaren heb ik niet meer aan Alice en haar verhaal gedacht. Enkel tijdens de voorbije 5 jaar kruiste zij weer mijn pad, hier op Boeken en op reis in Oxford. In die statige universiteitsstad kon ik niet naast haar kijken. Hier schreef Lewis Carroll immers zijn nonsensverhaal over een meisje, dat in haar droom een wit konijn volgt, vervolgens in een konijnenhol valt en terechtkomt in een bizarre wereld. 

Toeval wil, dat ik Alice daarnet nog zag, op een bedankingskaartje dat bij mijn bestelling zat van boekhandel het Stad Leest. Hoewel het citaat op het kaartje uit ‘Alice in Wonderland’ komt, ken ik het niet.  

– Wordt het nu eens niet stilletjes aan tijd dat ik deze klassieker lees? Vooral omdat Wonderland ooit een deel was van een tijd, waarin ik avonturen verzon en me identificeerde met Alice. In die tijd waren gekke werelden nog gewoon verzinsels. Of dromen van kleine, eigengereide meisjes.- 

Want anno 2020 heb je geen droom meer nodig om terecht te komen in een wereld, waarin alles anders en vreemd is. Sinds kort dwingt een dodelijk virus ons namelijk tot het dragen van mondmaskers en laat het verzorgend personeel rondstrompelen in pakken, die eerder thuishoren in een sf-verhaal. Voorlopig kunnen we enkel maar speculeren over wanneer alles weer zal worden zoals voorheen.

Lezen volgens Mauriac

François Mauriac (1885 – 1970) was een Frans schrijver.

Bij de bekendmaking  van de Nobelprijs voor Literatuur in 1952 had een groot deel van de wereld nog nooit van François Mauriac gehoord. Niet iedereen in Frankrijk was het eens met de juryleden van de Nobelprijscommissie. Voor Jean-Paul Satre was de romanschrijver-journalist allesbehalve een artiest. Dichter Paul Claudel vond zijn werk te kleinburgerlijk.

Aanvankelijk waren Mauriacs romans autobiografisch van karakter. Zijn ontvoogding uit het burgerlijke en vrome gezinsleven viel samen met dat van zijn personages. In 1922 verwierf hij bekendheid met ‘Le baiser au lépreux’, over de gespannen relatie tussen een echtpaar. De eerste vertaling in het Nederlands van zijn werk kwam er in 1933 met ‘Addergebroed’ (Le Nœud de vipères).

Een krantenbericht over een vrouw die haar man had proberen te vergiftigen lag aan de basis van ‘Thérèse Desqueyroux’ (1927), zijn bekendste roman. In deze roman exploreert Mauriac de innerlijke strijd van zijn hoofdpersonage. De roman kreeg in 1935 een vervolg met ‘La fin de la nuit’. ‘Thérèse’ van Uitgeverij Bint bracht beide romans in 2017 samen in een nieuwe Nederlandse vertaling.

Lezen op school

Naast boeken bespreken neem ik af en toe ook mijn lees- en blogwereld onder de loep. Vandaag heb ik het over lezen op school.

Lezen op school. Ik heb er geen goede herinneringen aan. Ik was altijd blij als we zelf mochten kiezen wat we wilden lezen. Verplichte boeken vielen altijd slecht. ‘De aanslag’ van Harry Mulisch en ‘Lolita’ van Vladimir Nabokov, ze doen me nog steeds ineenkrimpen. En wat te denken van het wekelijks terugkerend leesuurtje waarbij klassikaal een boek van kaft tot kaft werd gelezen. Ik las zo ‘Het boek Alpha’ van Ivo Michiels, en als ik het me goed herinner ook ‘De Kapellekensbaan’ van Louis Paul Boon. Vreselijk.

Zelfs als volwassene snap ik nog steeds niet de bedoeling van klassikaal lezen uit een klassieker. Ik hoop dat de leerkrachten van tegenwoordig andere manieren hebben gevonden om leerlingen te laten kennismaken met literatuur. Hoewel je je de vraag kan stellen of het nu echt om literatuur moet gaan. Ik heb me toen eens gewaagd aan Charles Dickens, maar las ‘David Copperfield’ maar voor de helft. Allicht was het te hoog gegrepen. Ik las als tiener trouwens vooral Enid Blyton. Van de dolle tweeling, de vijf en de vijf detectives had ik alle boeken.

Net als mijn toen favoriete fictieve helden stopte ik mijn rok- en broekzakken vol met materiaal, dat me in een noodsituatie zou helpen, zoals een vergrootglas, een kompas, een zakmesje. Met een paar vriendinnen had ik een clubje opgericht: de vijf. We schreven toen brieven in geheimschrift naar elkaar, wat ik in mijn poppenwiegje verstopte. De boeken van Blyton prikkelde dus behoorlijk mijn fantasie, wat ik van Mulisch, Nabokov, Boon en Michiels niet kon zeggen. Oké, er zaten een paar jaar tussen Blyton, Mulisch, Nabokov, Boon en Michiels, maar lezen moet leuk blijven. En vooral: het moet aangepast zijn aan je niveau, je leefwereld en je interesses. Wat had ik gemeen met een oude vieze man die maar steeds aan Lolita moest denken?

Als ik al slechte herinneringen heb aan de verplichte literatuur op school, hoe zit het dan met mensen die niet graag lezen? En jij? Heb jij goede herinneringen aan lezen op school? Of krimp je nog steeds ineen bij het vernoemen van dat ene klassieke boek, of die ene bekende schrijver?