
Met bovenstaand citaat raakt Patrick Modiano (1945) aan de kern van zijn schrijverschap: het besef dat herinneringen onbetrouwbaar zijn en dat verhalen altijd meer onthullen dan de schrijver zelf kan bevatten.
De jonge Modiano las veel. Zijn ouders waren immers vaak afwezig. Zijn vader, een Joods‑Italiaanse zakenman, had een schimmig oorlogsverleden; zijn moeder, een Vlaamse actrice, reisde veel voor haar werk. Modiano’s jeugd was eenzaam, maar hij had een hechte band met zijn jongere broer Rudy. Rudy’s dood aan leukemie in februari 1957 betekende het einde van zijn kindertijd en werd een drijvende kracht achter zijn hele oeuvre.
Een beslissende ontmoeting volgde enkele jaren later. Raymond Queneau, zijn leraar aan het Lycée Henri‑IV, nam hem onder zijn vleugels, introduceerde hem in de literaire wereld en las het manuscript van zijn debuutroman La Place de l’Étoile (1968). Daarmee begon een indrukwekkend schrijverschap dat inmiddels meer dan veertig romans omvat.
Zijn werk is doordrenkt van afwezigheid, geheugen en de zoektocht naar identiteit. Zijn personages dwalen door Parijs, op zoek naar sporen van een verleden dat telkens lijkt te vervagen. De geheimen van zijn ouders, hun zwijgen en hun ontmoeting in bezet Parijs blijven vragen oproepen, vragen die in zijn schrijven een uitweg vinden. Zo probeert Modiano de keuzes van zijn ouders een plaats te geven.
Toen hij in 2014 de Nobelprijs voor Literatuur won, reageerde hij met een verbaasd “C’est bizarre. ” Een reactie die perfect past bij zijn terughoudendheid — en bij een schrijver die altijd meer zoekt dan hij vindt.

Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.