Heimwee van Luiza Sauma

De pijn van herinneringen.

Denk je nog aan ons, André? Voor je vader stierf vertelde hij me dat je twee dochters hebt, twee inglesinhas. En dat je in Londres woont en arts bent. Ik heb je online opgezocht. In Londres vond ik maar 1 André Cabral. Ik zal je nog een brief schrijven, want ik heb je veel te vertellen.

Er stond geen adres op de brief. Haar achternaam weet hij niet. Hij kende haar alleen als Luana. Zij was de dochter van Rita. Rita had hem en zijn broer gevoed, getroost en grootgebracht; zij was zijn zwarte mama. Als André niet was weggegaan uit Rio de Janeiro dan was hij getrouwd met een Braziliaanse uit een gegoede familie, en waren zijn kinderen grootgebracht zoals hij en zijn broer waren grootgebracht, door zwarte inwonende huishoudhulpen. Maar André kon niet blijven in Rio de Janeiro. Hij had stommiteiten begaan.

Telkens wanneer André Luana’s brief leest, is het alsof de jaren zich oplossen. Dan is hij weer 17 en verliefd op Luana. Luana behoort echter tot een andere wereld, een andere tijd en een andere plek. Een plek, die André mist. Het is niet alleen Brazilië dat hij mist, hij mist ook de geborgenheid van zijn jeugd. Een jeugd, waar abrupt een einde aan kwam toen zijn moeder omkwam bij een auto-ongeluk.

“Het is troostrijk en verontrustend. Het geluid van thuis. Vreemd dat ik het nooit eerder heb beseft: Rio zal nooit meer mijn thuis zijn. Wat een overhaaste beslissingen nemen we toch, als we jong zijn.”

Aanvankelijk wou Luiza Sauma een verhaal schrijven over een rijke jonge Braziliaan die zijn eerste seksuele ervaring heeft met een huishoudhulp. Uiteindelijk werd ‘Heimwee’ een verhaal over een veertigjarige Braziliaan die woont en werkt in Londen, en die noodgedwongen zijn hele leven moet herzien. Zijn vrouw heeft hem net verlaten en Luana’s brieven drijven hem naar de rand van de waanzin. Op het einde van het verhaal ontmoeten André en Luana elkaar weer in Brazilië, uitgerekend op de plek waar André haar voor het eerst begon op te merken.

Luiza Sauma werd net als André Cabral in Rio de Janeiro geboren. Zij groeide op in Londen, en weet wat het is om in twee werelden te leven. Met ‘Heimwee’ schreef ze een meer dan geslaagd debuut over de Braziliaanse samenleving en identiteit, de dwaze dingen die we doen als we jong zijn en de  pijn van herinneringen.

 

Oorspronkelijke titel: Flesh and Bone and Water.
Jaar van publicatie: 2017.

Terug naar Mogadishu van Nuruddin Farah

Zoektocht naar identiteit en cultuur.

In New York was Jeebleh bijna overreden door een landgenoot. Hij hoopt de dood in verwarring te brengen door terug te gaan naar Mogadishu. Zijn terugkeer stelt hem ook in staat om het graf van zijn moeder te bezoeken, en zich ervan te vergewissen dat haar geest rust gevonden heeft. Zijn vrouw en kinderen vinden zijn reis waanzin. Jeeblehs vertrek uit Somalië was namelijk gedwongen. Op een dag werd hij van de gevangenis naar de luchthaven gebracht en op een vliegtuig gezet.

Mogadishu, stad van de dood. Hier heerst anarchie en bandeloosheid. Gieren, kraaien en maraboes zijn een vertrouwd gezicht in de stad. De aasvogels vinden genoeg eten: overal liggen er achtergelaten, onbegraven lijken. De maatschappij is verhard, en de religie heeft de invloed van Afghanistan en Saoedi-Arabië ondergaan. Jeebleh is veel te lang weggeweest. Hij kent de regels van de veranderde samenleving niet of nauwelijks. Hoe moet hij zich gedragen? Wie kan hij vertrouwen? En waarom is hij na 20 jaar terug naar Mogadishu gegaan?

Elk deel van ‘Terug naar Mogadishu’ begint met citaten uit Dantes eerste deel van de ‘Goddelijke komedie’: de hel. Jeebleh is inderdaad naar de hel en zijn eigen politieke verleden teruggekeerd. Er is meer aan de hand. Net als Dante in de ‘Goddelijke komedie’ is Jeebleh zoekende. Zijn eigen cultuur voelt aan als vreemd. Hij betrekt de kritiek op de Amerikanen op zichzelf. Maar hij komt ook thuis. ‘Terug naar Mogadishu’ is een zoektocht naar identiteit en cultuur tegen de achtergrond van een Somalië waarin clans en subclans elkaar bevechten. Maar waar Jeebleh de liefde van zijn vrienden vindt.

“Hij wist dat ze elkaar zouden opzoeken, elkaar welkom zouden heten in hun huis, en in hun verhalen. Hij en zijn vrienden waren voor altijd verbonden door de kettingen van de verhalen die ze deelden.”

‘Terug naar Mogadishu’ is een rijk boek met interessante personages. Soms word je met gewoontes geconfronteerd, die je moeilijk kan plaatsen, en die de schrijver niet uitlegt. Geen ramp voor deze lezer, allicht minder fijn voor sommige.

De Somalische schrijver Nuruddin Farah schrijft enkel trilogieën. Ook ‘Terug naar Mogadishu’ is deel van een trilogie. Het verhaal staat gelukkig op zichzelf. De andere delen van de trilogie zijn namelijk niet in het Nederlands vertaald. Farah heeft al veel prijzen gewonnen en wordt als een van Afrika’s grootste hedendaagse schrijvers vaak getipt voor de Nobelprijs voor literatuur.

Links, 2003.

De kleren die wij dragen van Linda Grant

Kleren als hulpmiddel.

Vivien Kovacs’ vader is vorige week overleden. Op weg naar Benson Court en de flat van haar vader moet Vivien omlopen. Zo komt ze voor het eerst sinds jaren voorbij de kledingwinkel in Seymour Street. Ze ziet het trieste bordje dat de opheffing aankondigt. Achter de toonbank staat Eunice. Het is dertig jaar geleden sinds ze haar voor het laatst zag. In een impuls stapt ze naar binnen. Eunice herkent haar en bezorgt haar een koopje. Tijdens het afrekenen loopt het mis. De oude wrijvingen tussen beide zijn intussen naar boven gekomen. Voor Eunice is Vivien nog steeds het bemoeizieke nichtje van haar grote liefde, Sándor Kovacs en de oorzaak van zijn voortijdige dood.

Aangekomen in de flat van haar vader loopt Vivien naar de kleerkast van haar moeder. Hier vindt ze de doos met de serie cassettebandjes en de vellen papier waarop ze het leven van haar oom had uitgetikt. Haar oom had haar in dienst genomen, om haar zijn leven en dat van haar familie te vertellen. Via hem kreeg ze op haar vijfentwintigste een identiteit. Ze voelde zich meer verwant met hem, dan met haar vader.

Haar ouders waren rare excentrieke Oost-Europeanen met wonderlijke opvattingen. Als jongvolwassene had Vivien het daar moeilijk mee. Haar ouders leefden als muizen teruggetrokken in hun flatje. Een flatje, waar ze bij aankomst in Londen ingetrokken waren, en waar ze heel hun leven bleven wonen. Ze lieten hun dochter dopen in de Anglicaanse kerk, gaven haar echter nooit een sok om haar kerstcadeaus in te steken, want zij waren joods.

In ‘De kleren die we dragen’ krijg je een verhaal volgens een gekend stramien: vrouw van middelbare leeftijd kijkt terug op haar leven naar aanleiding van de dood van haar vader. Centraal staat die zomer, waarin ze haar oom leerde kennen en een moeilijke periode doormaakte. Een zomer waarin ook het extreemrechtse National Front opkwam. Uiteraard legt de auteur een link met wat Viviens oom tijdens de Tweede Wereldoorlog in Hongarije had meegemaakt, maar louter om Viviens gedrag te duiden, want het oorlogsgegeven blijft op de achtergrond. Eigenlijk vertelt ‘De kleren die we dragen’ een coming of age verhaal, waarin kleding een hulpmiddel is om iemand anders te worden: de hippie, de punker, de skinhead. Het is iets dat ervoor zorgt dat je ergens bij kan horen. Een belangrijk gegeven overigens in de tijd waarin het verhaal zich grotendeels afspeelt, namelijk de jaren zeventig in Londen. Een roerige periode, waarin een jonge vrouw zichzelf probeert te vinden, vaak aan de zelfkant van de maatschappij, net als haar oom. Ondanks die kleren kan zij echter niets veranderen aan de kleur van haar huid.

Naast de zoekende Vivien, het ik-personage, is ‘De kleren die we dragen’ een verhaal over de confrontatie tussen twee broers. Niet alleen weet de schrijfster de sfeer van die tijd en de familiedynamiek weer te geven, ze weet je ook in haar prachtig geschreven en heerlijk vertelde roman aan te zetten tot denken.

“Weet je, je bent een vrouw die graag om de vijf minuten een ander gezicht opzet, alsof jij een nieuwe jurk aantrekt, terwijl dat helemaal niet hoeft, want jij bent zo mooi van jouzelf, met jouw eigen gezicht.”

The Clothes On Their Backs, 2008