
Al drie generaties lang houden lezers wereldwijd van de Moemins van Tove Jansson (1914 – 2001). Kinderen houden van hun avonturen en hun wereld, die hun gevoelens woorden geeft. Volwassenen daarentegen ontdekken in de eenvoudige verhalen rond de Moemins diepgang en wijsheid; een wijsheid die draait om eenvoud, balans en respect voor de natuur.
Wat begon als een reeks boeken en strips van een Finse schrijfster groeide uit tot een klein universum op zich. Naast televisieseries en een heuse opera zijn er vandaag twee themaparken en een museum gewijd aan de wereld van de Moemins. Een wereld die net vreemd genoeg is om herkenbaar te blijven.
Wie zijn de Moemins?
Zoals je van een familie trollen mag verwachten, leeft Moemin samen met zijn vader en moeder in de Moeminvallei. Hoewel de Moemins trollen zijn, zijn ze niet reusachtig, kwaadaardig of lelijk. Ze lijken zelfs niet op trollen, maar eerder op nijlpaarden, met hun grote, ronde witte lijf en grote ogen. Hun huis is geen rots, maar een cilindervormige toren die meteen herkenbaar is in het landschap. De vallei waarin ze leven is een plek waar de seizoenen grillig zijn en waar vreemde bezoekers zomaar komen aanwaaien of blijven logeren.
Rond de Moemins cirkelen mensen, bosdieren en fantasiewezens met namen als Snuisterik, Kleine Mie, Toef, Snif en Snork. Samen vormen ze een gemeenschap die niet draait om grote daden, maar om kleine gebaren, nieuwsgierigheid en zorg. In hun gemeenschap hoef je niet perfect te zijn, je mag jezelf zijn.

Van angst naar fantasie en humor
De naam Moemin werd bedacht door Janssons oom Einar Hammarsten, die zijn nichtje graag horrorverhalen vertelde over een trol die in zijn voorraadkast woonde. Voor de jonge Jansson werd “Moemin” daardoor synoniem voor onaangename situaties en gebeurtenissen.
Na een ruzie met haar broer Per Olov tekende ze haar eerste Moeminachtig wezen op de muur van een bijgebouw van hun zomerhuis. In haar vroege aquarellen doken ook zwarte, angstaanjagende Moeminachtige figuren op. Tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen ze cartoons tekende voor het tijdschrift Garm, verscheen regelmatig een mager Moeminachtig wezen — een figuur die geleidelijk uitgroeide tot een soort handelsmerk. Naast dat magere, demonische wezen tekende ze ook vriendelijke, ronde figuren met grote oren.
Toen ze haar eerste Moemin-verhaal bedacht, hadden de grote, vriendelijke en ronde wezens het gewonnen van de demonische trolachtige varianten. Het verhaal dat ze vertelt in De Moemins en de grote overstroming speelt zich echter af tegen de achtergrond van de Winteroorlog (1939–1940), toen de Sovjet-Unie Finland dwong land af te staan en er een massale vluchtelingenstroom op gang kwam.
In De Moemins en de grote overstroming gaan Moemin en Moeminmamma op zoek naar Moeminpappa. Overal duiken figuren op die zelf ook verdwaald of ontheemd zijn. De tocht van Moemin en zijn moeder weerspiegelt zo de vluchtelingenstroom die Finland tijdens de Winteroorlog trof, toen ongeveer 400.000 mensen hun huis moesten verlaten.
Aan het einde van hun duistere tocht vinden Moemin en zijn moeder niet alleen Moeminpappa terug, maar ook een plek die hen meteen bevalt: de Moeminvallei.
Het debuut van de Moemins bleef in 1945 grotendeels onopgemerkt. Ook het tweede verhaal, waarin een komeet de Moeminvallei bedreigt, maakte weinig indruk. Maar met het derde boek, De hoed van de tovenaar, begon niet alleen een reeks wonderlijke avonturen voor Moemin en zijn vrienden, maar ook de wereldwijde zegetocht van de Moemins. Tove Jansson had daarmee een wereld geschapen voor de eeuwigheid, een wereld waar verwondering, avontuur en inclusiviteit de bovenhand hebben.
