De Kozakkentuin van Jan Brokken

Over de vriendschap tussen von Wrangel en Dostojevski.

“De eerste keer dat ik hem zag, stond hij in een wit doodshemd voor het vuurpeloton. Hij: een man van tegen de dertig die zich voorbereidde op de dood en het zilveren kruis kuste dat de priester hem voorhield. Ik: een nieuwsgierige jongeling die vanaf een veilige afstand keek naar wat onrecht was.” 

Twaalf december 1849 was een druilerige dag in Sint-Petersburg. Af en toe sneeuwde het. Hoewel datum en tijdstip van de executie van de politieke gevangenen geheim was gehouden, liep het exercitieterrein vol met nieuwsgierigen. De veroordeelden werden met koetsjes aangereden. Vlak bij het schavot moesten ze zich in twee groepjes verdelen. Een functionaris las van elke veroordeelde het vonnis voor, wat geruime tijd in beslag nam. Na het afnemen van de biecht en het kussen van het kruis moesten drie van hen naar voren komen; zij werden aan hoge palen vastgebonden.

Het vuurpeloton legde aan. Net voordat ze het fatale schot losten, kwam er een bode van de tsaar aangereden. De veroordeelden kregen gratie. Hun veroordeling tot de dood door de kogel werd omgezet in dwangarbeid in Siberië. Bijna al de veroordeelden stierven jong. Een van hen, kon wat hij had meegemaakt van zich afschrijven. De tien jaar die hij in Siberië doorbracht, legde de kiem voor werken als ‘De idioot’, ‘Aantekeningen uit het dodenhuis’ en ‘Misdaad en straf’.

De nieuwsgierige jongeling die toekeek was Alexander von Wrangel. De familie von Wrangel behoorde tot de Duits-Baltische baronnen. De buitenlandse adel was niet erg populair in Rusland. Toch waren leden uit hun rangen goed vertegenwoordigd bij de overheid. Ook de jonge Alexander ging voor de overheid werken. Als officier van justitie koos hij voor Siberië, een achtergebleven provincie in het reuzegrote tsaristische rijk. In Semipalatinsk liet hij de man ontbieden die hij in zijn wit doodshemd had gezien. Dostojevski had er al vier jaar dwangarbeid op zitten. Als soldaat zonder soldij moest hij nog zes jaar in Siberië dienen en blijven. Bij de jonge von Wrangel vond hij een thuis, vriendschap en steun. Vooral de Kozakkentuin, een Datsja net buiten Semipalatinsk, werd een toevluchtsoord. Hier kwam de schrijver geestelijk weer tot leven.

Het had heel wat voeten in de aarde vooraleer Dostojevski weer mocht publiceren. Het was hem allicht niet gelukt zonder Alexander von Wrangel en zijn connecties. Dankzij zijn vriend schreef hij over die dingen, die hij anders voor zich gehouden had. Ook deed hij inspiratie op via hun gesprekken. Dostojevski vroeg zijn jonge vriend het hemd van zijn lijf over zijn werk, de misdaad en de misdadigers.

De man en de schrijver Dostojevski zie je door de bril van Alexander von Wrangel. Voor zijn non-fictiewerk kroop Jan Brokken immers in de huid van de Duits-Baltische baron. Met ‘De Kozakkentuin’ leverde hij niet alleen een goed gedocumenteerd werk af, maar ook een interessant en boeiend geschreven werk, dat je moeiteloos meevoert naar het negentiende-eeuwse Rusland en Europa. ‘De Kozakkentuin geeft een caleidoscopisch beeld van het leven in die tijd en de achtergrond bij de grote werken uit de Russische literatuur van de negentiende eeuw. Zo doet von Wrangels relatie met de getrouwde mevrouw X denken aan ‘Anna Karenina‘. Daarnaast verhaalt ‘De Kozakkentuin’ over de hechte vriendschap tussen een jonge baron en een van Ruslands grootste schrijvers.

Wie niet horen wil van Moses Isegawa

Over kindsoldaten in Oeganda.

De lagere school in het Oegandese Nandere is de enige plek in de regio waar nog les wordt gegeven. De rebellen hebben de voorbije jaren al verschillende scholen platgebrand en onderwijzers vermoord. Sinds kort krijgt mevrouw Ogema, de directrice van de school dreigbrieven. Daar blijft het niet bij. De dreiging wordt reëel wanneer een rondtrekkend groepje kindsoldaten van het Leger van de Heilige Geest in de regio opduikt, en een waar schrikbewind voert.

De leider van dat groepje kindsoldaten is majoor Azizima, voor wie mevrouw Ogema beloofd had te zullen zorgen na de gruwelijke dood op zijn ouders. Voor majoor Azizima is het Leger van de Heilige Geest zijn familie. Al diegene die niet tot het Leger behoren, zijn verdoemd. Voor Azizima is Beeda, de zoon van mevrouw Ogema dan ook een verdoemde.

In ‘Wie niet horen wil’ focust schrijver Isegawa vooral op het contrast tussen Beeda en Azizima. Hoe kan het zijn dat de ene jongen een kindsoldaat is, en de andere niet. Beeda geeft overigens les in de school van zijn moeder, hoewel zijn puberale gedachten op heel andere dingen gericht zijn dan lesgeven. Die puberale en onvolwassen gedachten van Beeda zijn niet altijd boeiend om lezen. Ook het gehakketak tussen Azizima en zijn kameraad-soldaten levert saaie stukken op.

Interessant is de confrontatie tussen Azizima en de gemeenschap waarin hij opgroeide. Duidelijk is ook de moedeloosheid bij de bewoners van Nandere, en vooral bij de vele gevluchte families die provisoir in hun midden trachten te wonen. Door de reële bedreiging komen daar ook nog regeringssoldaten bij, die niet altijd opgewassen blijken te zijn tegen de blinde terreur van het Leger van de Heilige Geest.

Kan zo’n verhaal wel een goede einde kennen? Isegawa weet het verhaal een voorlopig goed einde te geven. ‘Wie niet horen wil’ is niet altijd geslaagd als verhaal, maar weet wel een Afrikaanse realiteit begrijpbaar te maken voor westerse lezers.

Schrijver Moses Isegawa woonde zestien jaar in Nederland en heeft de Nederlandse nationaliteit. Sinds 2006 woont hij terug in Oeganda.

Oorspronkelijke titel: The War of Ears.
Jaar van publicatie: 2008.