Praagse nachten van Benjamin Black

Misdaad in het middeleeuwse Praag.

Praag, 1599. Het kan niet anders of Christian Stern is de door God gezonden ster. Zijn naam is een voorteken. Hij wordt dan ook ontvangen door keizer Rudolf II. Die vraagt hem de moordenaar te zoeken van Magdalena Kroll, zijn minnares.

Die keizerlijke opdracht drukt zwaar op Sterns gedachten. Op de eerste nacht van zijn aankomst in Praag ontdekte hij namelijk het lijk van Magdalena Kroll. Felix Wenzel, de eerste minister liet hem arresteren voor die moord. De kennismaking met de gevangenis is hem slecht bekomen. Bovendien is hij een geleerde en geen onderzoeker van misdaden. Wat gaat er met hem gebeuren als hij niet slaagt in zijn opdracht? Waar moet hij beginnen? Wie moet hij ondervragen?

De oplossing valt uiteindelijk in zijn schoot, helemaal op het einde van het verhaal. Je bent al bijna vergeten dat hij een moordenaar zocht. De moord is in ‘Praagse nachten’ slechts een middel voor Black om iets meer te vertellen over het middeleeuwse Praag en het leven aan het hof van keizer Rudolf II. Stern is geen sympathiek personage; hij is jong en arrogant en heeft weinig tot geen inzicht in de mensen rondom hem. Hij vertelt zijn verhaal als een oude man, terugkijkend op zijn tijd in Praag, toen hij nog vol was van zichzelf.

Deze historische whodunit is fictie van de bovenste plank. Je waant je zo aan het hof van keizer Rudolf II met zijn alchemisten, geleerden en slinkse hovelingen. Het verhaal is geloofwaardig en het proza schitterend. Achter het pseudoniem Benjamin Black zit niemand minder dan de Ierse Nobelprijskandidaat John Banville. Banville gebruikt dit pseudoniem voor zijn thrillers.

 

Oorspronkelijke titel: Prague Nights.
Jaar van publicatie: 2017.

 

De Kozakkentuin van Jan Brokken

Over de vriendschap tussen von Wrangel en Dostojevski.

“De eerste keer dat ik hem zag, stond hij in een wit doodshemd voor het vuurpeloton. Hij: een man van tegen de dertig die zich voorbereidde op de dood en het zilveren kruis kuste dat de priester hem voorhield. Ik: een nieuwsgierige jongeling die vanaf een veilige afstand keek naar wat onrecht was.” 

Twaalf december 1849 was een druilerige dag in Sint-Petersburg. Af en toe sneeuwde het. Hoewel datum en tijdstip van de executie van de politieke gevangenen geheim was gehouden, liep het exercitieterrein vol met nieuwsgierigen. De veroordeelden werden met koetsjes aangereden. Vlak bij het schavot moesten ze zich in twee groepjes verdelen. Een functionaris las van elke veroordeelde het vonnis voor, wat geruime tijd in beslag nam. Na het afnemen van de biecht en het kussen van het kruis moesten drie van hen naar voren komen; zij werden aan hoge palen vastgebonden.

Het vuurpeloton legde aan. Net voordat ze het fatale schot losten, kwam er een bode van de tsaar aangereden. De veroordeelden kregen gratie. Hun veroordeling tot de dood door de kogel werd omgezet in dwangarbeid in Siberië. Bijna al de veroordeelden stierven jong. Een van hen, kon wat hij had meegemaakt van zich afschrijven. De tien jaar die hij in Siberië doorbracht, legde de kiem voor werken als ‘De idioot’, ‘Aantekeningen uit het dodenhuis’ en ‘Misdaad en straf’.

De nieuwsgierige jongeling die toekeek was Alexander von Wrangel. De familie von Wrangel behoorde tot de Duits-Baltische baronnen. De buitenlandse adel was niet erg populair in Rusland. Toch waren leden uit hun rangen goed vertegenwoordigd bij de overheid. Ook de jonge Alexander ging voor de overheid werken. Als officier van justitie koos hij voor Siberië, een achtergebleven provincie in het reuzegrote tsaristische rijk. In Semipalatinsk liet hij de man ontbieden die hij in zijn wit doodshemd had gezien. Dostojevski had er al vier jaar dwangarbeid op zitten. Als soldaat zonder soldij moest hij nog zes jaar in Siberië dienen en blijven. Bij de jonge von Wrangel vond hij een thuis, vriendschap en steun. Vooral de Kozakkentuin, een Datsja net buiten Semipalatinsk, werd een toevluchtsoord. Hier kwam de schrijver geestelijk weer tot leven.

Het had heel wat voeten in de aarde vooraleer Dostojevski weer mocht publiceren. Het was hem allicht niet gelukt zonder Alexander von Wrangel en zijn connecties. Dankzij zijn vriend schreef hij over die dingen, die hij anders voor zich gehouden had. Ook deed hij inspiratie op via hun gesprekken. Dostojevski vroeg zijn jonge vriend het hemd van zijn lijf over zijn werk, de misdaad en de misdadigers.

De man en de schrijver Dostojevski zie je door de bril van Alexander von Wrangel. Voor zijn non-fictiewerk kroop Jan Brokken immers in de huid van de Duits-Baltische baron. Met ‘De Kozakkentuin’ leverde hij niet alleen een goed gedocumenteerd werk af, maar ook een interessant en boeiend geschreven werk, dat je moeiteloos meevoert naar het negentiende-eeuwse Rusland en Europa. ‘De Kozakkentuin geeft een caleidoscopisch beeld van het leven in die tijd en de achtergrond bij de grote werken uit de Russische literatuur van de negentiende eeuw. Zo doet von Wrangels relatie met de getrouwde mevrouw X denken aan ‘Anna Karenina‘. Daarnaast verhaalt ‘De Kozakkentuin’ over de hechte vriendschap tussen een jonge baron en een van Ruslands grootste schrijvers.

 

Volgspot van Joseph O’Connor

Het verhaal van Molly Allgood.

Op een dag nadat er een zware storm over Londen is geraasd, zoekt een oudere bedronken vrouw haar weg door de stad. Haar hoofd zit vol met herinneringen aan mooie en treurige momenten. Zij heeft heel wat verdriet in haar leven gekend. Haar verloofde stierf niet lang na hun verloving. Haar eerste man stierf onverwachts en haar tweede huwelijk liep spaak. De Eerste Wereldoorlog eiste het leven van een van haar broers, de Tweede die van haar zoon. De ooit zo beroemde actrice, Maire O’Neill (1885-1952), speelt nog wel rolletjes, maar haar gloriedagen zijn voorbij. Toch houdt een onbedwingbare levensdrift haar op de been.

Onder acteurs en actrices is zij geen onbekende. Zij is immers de muze geweest van de grote toneelschrijver John Millington Synge (1871-1909). Haar artiestennaam nam zij aan om zich te onderscheiden van haar acteerde zuster Sarah Allgood. Het was dankzij Sarah dat zij een figurantenrol mocht spelen in de Abbey Theater in Dublin. Haar rol als figurante ging niet onopgemerkt voorbij. Zij had de aandacht getrokken van John Millington Synge. Zij was immers mooi. Aan mannelijke aandacht had zij geen gebrek. Zij was ook een begaafde actrice. Voor haar schreef Synge de rol van Peheen in ‘The Playboy of the Western World’ (1907).

Synges familie en vrienden bezagen zijn relatie met Molly met argusogen. Niet alleen was hij ouder, hij kwam ook uit een gegoede Protestantse familie. Zij kwam uit een arme Katholieke arbeidersfamilie. Hij was een gevoelige introverte ziel. Zij had een vurig en rebels karakter. Ondanks de verschillen en de tegenkantingen verloofde hij zich met Molly. Een paar maanden na hun verloving stierf hij aan de ziekte van Hodgkin. Zijn familie liet al haar brieven aan hem vernietigen en schilderde hun relatie af als een affaire. Pas vele decennia later kreeg Molly Allgood de erkenning dat zij John Millington Synges grote liefde was geweest. Zij was dus niet zijn snol geweest. Noch speelde zij met Peheen een snol, want ‘The Playboy of the Western World’ had intussen een andere status gekregen, namelijk die van een meesterwerk.

Joseph O’Connor betoont zich een virtuoos schrijver in het fictieve komische en lyrische ‘Volgspot’, dat sterk afwijkt van de historische feiten. Net als in James Joyce ‘Ulysses’ volg je de oudere Molly  in een tijdspanne van een etmaal. Op het einde van het verhaal besef je dat hij Molly liet schitteren in haar laatste rol, want op het einde van het etmaal wacht haar de Dood. Voor Molly’s herinneringen en tocht doorheen Londen gebruikte O’Connor het jij-perspectief, terwijl hij voor het gedeelde verleden met Synge, het hij-perspectief gebruikte. Het geheel is caleidoscopisch. Een aanrader.

 

Oorspronkelijke titel: Ghost Light.
Jaar van publicatie: 2010.