Een ladder naar de hemel van John Boyne

Gewetenloze Maurice Swift.

Kan je een schrijver wel vertrouwen? Voor je het weet, heeft hij jouw verhaal of een anekdote die je hem vertelde, verwerkt in zijn roman. Uiteraard ga je dat als schrijver niet toegeven. De personages, de scènes die je beschrijft, zijn immers ontleend aan je fantasie. Enige gelijkenis met de werkelijkheid berust op toeval. Maurice Swift, daarentegen, geeft grif toe dat het verhaal van zijn debuut -‘De twee Duitsers’- eigenlijk het verhaal is van de succesvolle schrijver Erich Ackermann. Ackermann heeft Swift zijn geheim verteld, een geheim dat hij meer dan veertig jaar voor zich heeft gehouden. Ackermanns carrière is na ‘De twee Duitsers’ voorbij. Maar de ene zijn dood, is de andere zijn brood: ‘De twee Duitsers’ is een bestseller. Eigenlijk was het nog niet zo moeilijk voor Maurice Swift om Ackermanns verhaal te ontfutselen. Want Ackermann viel direct voor zijn charmes en schoonheid.

De titel van het boek geeft veel weg, want het verwijst naar de Amerikaanse uitdrukking: ‘Ambition is putting a ladder to the sky’. Iemand is zo ambitieus dat hij alle risico’s en obstakels neemt om zijn doel te bereiken. Het Engels kent ook de uitdrukking ‘the top of the ladder’, het hoogtepunt van iemands carrière. En om naar de top te geraken is het handig om meedogenloos en gewetenloos te zijn, zoals Tom Ripley en Maurice Swift. Boyne geeft het ook zelf aan in zijn eerste deel:

“Ik denk dat Maurice is wat hij moet zijn en wanneer hij het moet zijn. Hij is een gladde charmeur, dat staat buiten kijf. En ik mag hem niet graag, Gore, als ik eerlijk ben. Soms denk ik dat ik misschien wel een hekel aan hem heb. Hij is grof en onaardig, vreselijk egocentrisch en hij behandelt me als een hond.”

In ‘Een ladder naar de hemel’ laat Boyne zijn lezer niet werken. Hij legt veel te veel uit. Bovendien verzandt het verhaal vanaf het tweede deel in ongeloofwaardigheid. Altijd een doodsteek voor fictief werk. De literaire wereld met zijn genderongelijkheid, obsessie voor literaire prijzen en literaire diefstal wordt via een occasionele oneliner in zijn blootje gezet, maar het blijft braafjes. Kortom: ik vind het boek overroepen. Naar mijn gevoel zijn sommige scènes bewust overdreven geschreven, een dooddoener voor mij. Eigenlijk vond ik enkel het eerste deel goed. Gelukkig las ‘Een ladder naar de hemel’ vlot weg.

 

Oorspronkelijke titel: A Ladder to the Sky.
Jaar van publicatie: 2018.

De een van de ander van Philip Kerr

De unieke Bernie Gunther in topvorm.

Berlijn, september 1937. Van overheidswege wordt Joden aangeraden om te emigreren. Hun eigendommen mogen ze niet meenemen. Dankzij slimme trucs krijgen sommige hun geld uit Duitsland. Geloof het of niet, sommige op de Joodse afdeling van de SD helpen joodse mensen bij het meenemen van hun geld of eigendommen. Uiteraard is die hulp niet vrijblijvend. Op vraag van SD-officier Franz Six moet Bernie Gunther een brief bezorgen bij de Engels-Palestijnse bank in Jaffa. Dit voor Paul Begelmann.

München, 1949. Na de dood van zijn vrouw verkoopt Bernie Gunther hun hotel. Met het geld van die verkoop begint hij een zaak als privédetective. De ex-rechercheur is nooit echt gestopt met speurwerk. Ondanks zijn afkeer voor het nationaalsocialisme is hij de oorlog heelhuids doorgekomen.

Als privédetective krijgt hij vooral onfrisse zaken: zoals het witwassen van iemands naziverleden en het uitzoeken van claims op geroofde goederen. Het vervult hem met afschuw, maar het geld komt goed van pas. Dan wordt hij ingehuurd door Frau Warzok. Zij wil hertrouwen, maar zij wil eerst weten of haar man dood is. De klus lijkt simpel, maar het brengt Gunther in een hachelijke situatie.

‘In een oorlog is doden uitvoerbaar en normaal. In vredestijd is dat niet zo. Niet op dezelfde manier. In vredestijd is iedereen alleen maar bezorgd dat een moord een vreselijke troep op het tapijt zal achterlaten. Je zorgen maken over de rotzooi op het tapijt is het enige echte verschil tussen oorlog en vrede.’ Ik nam een trekje van mijn sigaret. ‘Het is geen Tolstoj, maar ik werk er nog aan.’

De wereld leerde de eigenwijze Bernie Gunther kennen in ‘Een Berlijnse kwestie’ uit 1998. Na ‘Een Berlijnse kwestie’ volgde nog twee boeken ‘Het handwerk van de beul’ en ‘Een Duits requiem’. Dan verscheen ‘Berlin noir’, een bundeling in 1993. Lang zag het er naar uit dat het bij drie verhalen ging blijven. Dan verscheen in 2006 ‘De een van de ander’. Dit vierde deel in de Gunther-reeks werd nog beter ontvangen dan de klassieker ‘Berlin noir’. Het is makkelijk te begrijpen waarom. Philip Kerr wist zijn lezers immers moeiteloos onder te dompelen in de tijd, waarin de verhalen rond Gunther zich afspelen. De Gunther-reeks geeft kritiek op het nationaalsocialisme, zonder ooit moraliserend te worden. Ook verwerkte Kerr weinig gekende feiten uit de Tweede Wereldoorlog in zijn verhaallijnen.

Gunther hoort thuis in het hard-boiledgenre. Een typisch Amerikaans genre, dat tijdens de jaren 20 en 30 zijn hoogtepunt kende met privédetectives zoals Sam Spade en Philip Marlowe. De Schotse schrijver wist evenwel een eigentijdse invulling te geven aan zijn hard-boiled held. Als hard-boiled held is Gunther een cynische anti-held. In dit verhaal blijkt dat hij een SS-officier is geweest. Een gegeven, dat tegen hem gebruikt wordt. De grens tussen een fout en goed verleden is echter moeilijk te trekken in ‘De een van de ander’, waar bedrog en dubbelbedrog de dienst uitmaakt. Niets is dan ook wat het lijkt in deze thriller met een bangelijk knap uitgewerkt plot en verrassende wendingen.

Oorspronkelijke titel: The One From the Other.
Jaar van publicatie: 2006.

De zaak-Saint-Fiacre van Georges Simenon

Een ongewone Maigret.

Maigret had het briefje bij toeval gezien. Het slingerde al dagen rond. Aanvankelijk was het verstuurd naar de gemeentepolitie van Moulins. Daar zagen ze het als een slechte grap en stuurden ze het door naar Parijs. Nadat Maigret het las, vertrok hij onmiddellijk naar Saint-Fiacre. Volgens het briefje zal er tijdens de vroegmis van Allerzielen in de kerk van Saint-Fiacre een misdaad worden gepleegd.

Het meubilair in de kerk, het verlopen van de eucharistieviering, de kerkgangers. Het roept herinneringen op bij de commissaris. Saint-Fiacre is immers zijn geboortedorp. Zijn vader was de rentmeester van de graaf de Saint-Fiacre. De gravin de Saint-Fiacre herkent Maigret nauwelijks. Het is zeker meer dan 45 jaar geleden dat hij haar voor het laatst zag. Bij het einde van de mis blijft zij zitten. Als Maigret naar voren loopt en zachtjes haar schouder aanraakt, beweegt het lichaam zich en valt neer. De gravin is dood. Zij heeft een hartaanval gekregen.

Het moordwapen is ongewoon: het is een vervalst krantenbericht over de dood van Maurice de Saint-Fiacre, de zoon van de gravin. Iemand heeft het in haar misboek gestoken. Genoeg mensen hadden weet van het zwakke hart van de gravin. Aan verdachten geen gebrek. De zaak-Saint-Fiacre is echter geen makkelijke klus voor de commissaris. Ten eerste is er de uitgekookte moordenaar. Ten tweede is er graaf Maurice de Saint-Fiacre, de laatste telg van een geruïneerde familie. En ten derde werkt hij op vertrouwd terrein. Voor een keer ziet hij toe, hoe de moordenaar ontmaskerd wordt. Dit door iemand die nog geslepener is dan de moordenaar, en die rekeningen te vereffenen heeft.

‘De zaak-Saint-Fiacre’ is een ongewone maar steengoede Maigret, die een andere kant van de commissaris toont. Wat in een mysterie uit de gouden tijd van de detective tot een cliché verwerd, wist onze Belgische schrijver in zijn voordeel te gebruiken. Hier werkt het samenbrengen van de verdachten namelijk wel.

 

Oorspronkelijke titel: L’Affaire Saint-Fiacre.
Jaar van publicatie: 1932.