Handboek voor Russische militairen

Tijdloze klassieker: klassiekers zoals ‘Oorlog en vrede’ blijven beklijven.

Al wat de de Russische generaal Mikhail Dragomirov schreef in verband met militarisme en oorlogsvoering werd grondig bestudeerd. Dragomirovs kritiek op ‘Voyná i mir’ (Oorlog en vrede) van Lev Tolstoj ging dan ook niet onopgemerkt voorbij. Dragomirov was het weliswaar niet eens met Tolstojs visie over oorlog, hij beval ‘Oorlog en vrede’ aan als een onmisbaar handboek bij elk werk geschreven over de kunst van het oorlog voeren. Ook andere Russische militairen en schrijvers van militaire handboeken staken de loftrompet over de zeer realistische en hoogst kunstzinnige oorlogsscènes van ‘Oorlog en vrede’.

Roman of historisch werk.

Literaire critici hielden zich aanvankelijk op de vlakte. Tot een anonieme recensent zich uiteindelijk uitsprak over wat elke recensent bezighield: hoe moesten ze dit werk van graaf Lev Tolstoj beoordelen? Was ‘Oorlog en vrede’ nu een roman of een historisch werk? Welke stukken waren fictie en welke niet? De blauwbloedige schrijver maakte het zijn criticasters niet makkelijk door te stellen, dat ‘Oorlog en vrede’ noch een roman noch een historische kroniek was. ‘Oorlog en vrede’ was volgens de maatstaven van die tijd inderdaad geen roman, omdat Tolstoj meer dan een verhaal vertelde. ‘Oorlog en vrede’ bevat ook Tolstojs filosofische bespiegelingen over het leven en de mensheid.

In tegenstelling tot de literaire recensenten waren de lezers niet terughoudend. ‘Oorlog en vrede’ kocht direct uit. De meeste lezers hadden het verhaal als feuilleton gelezen in Russkiy Vestnik en waren dolenthousiast. ‘Oorlog en vrede’ in boekvorm verschilde enorm van de in Russiky Vestnik (1865-1867) gepubliceerde versie, want Tolstoj had zijn oorspronkelijk manuscript meermaals herschreven. Tolstojs vrouw, Sophia Tolstaya kopieerde niet minder dan zeven versies vooraleer haar man zijn werk klaar achtte voor publicatie in boekvorm in 1869.

“War is not a courtesy but the most horrible thing in life; and we ought to understand that, and not play at war. We ought to accept this terrible necessity sternly and seriously. It all lies in that: get rid of falsehood and let war be war and not a game. As it is now, war is the favourite pastime of the idle and frivolous.”

Goed gedocumenteerd.

Voor ‘Oorlog en vrede’ had Tolstoj zich heel goed gedocumenteerd. Hij had elk bestaand Frans en Russisch werk over Napoleons oorlog tegen Rusland gelezen, net als brieven, dagboeken en (auto)biografieën van en over Napoleon en andere hoofdrolspelers van die tijd. Daarnaast had hij ook ooggetuigen geïnterviewd. ‘Oorlog en vrede’ speelt zich namelijk af tussen 1805 en 1820 en volgt het leven van vijf adellijke Russische families tijdens de inval van Napoleon in Rusland. Het is met 15 boeken een van de omvangrijkste werken in de wereldliteratuur. Zo’n 150 van de 600 personages in ‘Oorlog en vrede’ hebben echt geleefd.

Voor de realistische oorlogsscènes had Tolstoj geput uit zijn eigen ervaringen als militair tijdens de Krimoorlog. Zoals generaal Mikhail Dragomirov verordende werd ‘Oorlog en vrede’ verplichte leeskost voor Russische officieren. Tijdens de Tweede Wereldoorlog, de grote patriottische oorlog, kregen Russische soldaten stukken uit ‘Oorlog en vrede’ te lezen. Blijkbaar waren ze meer gegrepen door Tolstojs realistische oorlogsscènes dan door wat ze zelf meemaakten aan het front.

oorlog en vrede

Illustratie bij Oorlog en vrede van Leonid Pasternak.

Bronnen: Wikipedia, Wikimedia, Wikiquote en www.warandpeacetolstoy.com.
Bron afbeelding: Wikimedia Commons

Wie niet horen wil van Moses Isegawa

Over kindsoldaten in Oeganda.

De lagere school in het Oegandese Nandere is de enige plek in de regio waar nog les wordt gegeven. De rebellen hebben de voorbije jaren al verschillende scholen platgebrand en onderwijzers vermoord. Sinds kort krijgt mevrouw Ogema, de directrice van de school dreigbrieven. Daar blijft het niet bij. De dreiging wordt reëel wanneer een rondtrekkend groepje kindsoldaten van het Leger van de Heilige Geest in de regio opduikt, en een waar schrikbewind voert.

De leider van dat groepje kindsoldaten is majoor Azizima, voor wie mevrouw Ogema beloofd had te zullen zorgen na de gruwelijke dood op zijn ouders. Voor majoor Azizima is het Leger van de Heilige Geest zijn familie. Al diegene die niet tot het Leger behoren, zijn verdoemd. Voor Azizima is Beeda, de zoon van mevrouw Ogema een verdoemde.

In ‘Wie niet horen wil’ focust schrijver Isegawa vooral op het contrast tussen Beeda en Azizima. Hoe kan het zijn dat de ene jongen een kindsoldaat is, en de andere niet. Beeda geeft overigens les in de school van zijn moeder, hoewel zijn puberale gedachten op heel andere dingen gericht zijn dan lesgeven. Die puberale en onvolwassen gedachten van Beeda zijn niet altijd boeiend om lezen. Ook het gehakketak tussen Azizima en zijn kameraad-soldaten levert saaie stukken op.

Interessant is de confrontatie tussen Azizima en de gemeenschap waarin hij opgroeide. Duidelijk is ook de moedeloosheid bij de bewoners van Nandere, en vooral bij de vele gevluchte families die provisoir in hun midden trachten te wonen. Door de reële bedreiging komen daar ook nog regeringssoldaten bij, die niet altijd opgewassen blijken te zijn tegen de blinde terreur van het Leger van de Heilige Geest.

Kan zo’n verhaal wel een goede einde kennen? Isegawa weet het verhaal een voorlopig goed einde te geven. ‘Wie niet horen wil’ is niet altijd geslaagd als verhaal, maar weet wel een Afrikaanse realiteit begrijpbaar te maken voor westerse lezers.

Schrijver Moses Isegawa woonde zestien jaar in Nederland en heeft de Nederlandse nationaliteit. Sinds 2006 woont hij terug in Oeganda.

 

Oorspronkelijke titel: The War of Ears.
Jaar van publicatie: 2008.

De oorlog van het einde van de wereld van Mario Vargas Llosa

Het probleem Canudos.

Hij heette Antonio Vicente Mendes Maciel. De sertão-bewoners in het laat negentiende-eeuwse Brazilië kende hem als de Raadgever. Hij kwam altijd onverwacht en te voet. Liep steevast naar de kerk in de dorpen in de sertão om te kijken of die al hersteld was. Vroeg naar de parochiepriester, die er meestal niet was. Na twee uur gebeden te hebben vroeg hij vergiffenis aan Onze-Lieve-Heer voor de armtierige toestand waarin zijn huis verkeerde. Bij het vallen van de avond gaf hij zijn raadgevingen. Hij sprak over eenvoudige dingen. Dingen die de sertão-bewoners begrepen en met de moedermelk hadden meegekregen. Mans raadgevingen gingen immers over het geloof, het laatste Oordeel en het einde van de wereld. Volgens de Raadgever zou de wereld het jaar 1900 niet halen.

Als in 1889 de federale republiek Brazilië ontstond, was de Raadgever ontzet. Met het instellen van de republiek kwamen namelijk heel wat veranderingen: de kerk werd van de staat gescheiden, het burgerlijk huwelijk werd ingesteld, er kwam vrijheid van godsdienst, begraafplaatsen vielen onder de gemeente….Voor de Raadgever waren dit onaanvaardbare ketterijen. Dit was het werk van de Antichrist.

Intussen had de Raadgever al heel wat volgelingen onder de sertão-bewoners. Na een schermutseling met de politie besloten ze een verlaten haciënda, Canudos, in te nemen en zich daar voorgoed te vestigen. Op een paar jaar tijd groeide Canudos uit tot de tweede grootste stad van de regio met 30 000 inwoners. Een stad waar andere regels golden, namelijk die van Onze-Lieve-Heer. Aanvankelijk was Canudos een lokaal probleem; het werd echter een nationaal probleem. De federale regering stuurde in totaal vier militaire expedities om komaf te maken met Canudos en zijn inwoners. In de oorlog om Canudos vielen minstens 15 000 doden, misschien zelfs 30 000.

Canudos

Canudos omstreeks 1895 – foto Wikimedia

‘De oorlog van het einde van de wereld’ mag dan fictief zijn, het is gebaseerd op waargebeurde feiten. De geschiedenis draagt al de kiem van de mythe in zich, want hoe was het mogelijk dat de inwoners van Canudos succesvol drie militaire expedities wisten te stoppen en te verslaan. Waarom had de regering een probleem met Canudos? En wie was Antonio de Raadgever? Hoewel hij net als Onze-Lieve-Heer alomvertegenwoordigd is in ‘De oorlog van het einde van de wereld’, gunt Vargas Llosa zijn lezer nooit een blik in mans gedachten. Je kijkt naar hem via de ogen van een rits aan personages, veelal volgelingen, wat bijdraagt tot zijn messiaanse status.

Door de rits aan personages en de steeds wisselende perspectieven duurt het een behoorlijke tijd vooraleer je in het verhaal zit. ‘De oorlog van het einde van de wereld’ is met zijn 700 bladzijden sowieso een imponerend boek. En de aparte verhaaltjes die elk personage met zich meebrengt vraagt behoorlijk wat lezersaandacht. Gaandeweg worden de aparte verhalen langer, de personages vertrouwder en kom je in een gezapig leestempo van wederzijdse oorlogsgruwelen, die achteraf bezien slechts een voorspel zijn van het einde van de wereld. En dan, zonder dat je er erg in hebt, zit je als lezer in de stoel van Onze-Lieve-Heer de Raadgever, en gunt Vargas Llosa je een blik in de ziel van zijn personages. Intussen woedt de apocalyps, compleet met vuur, avemaria’s, gebeier van kerkklokken, gebulder van kanonnen, klapwiekende gieren en gulzige ratten. Uiteindelijk eindigt het boek met een wonder, en blijf je als lezer beduusd achter. ‘De oorlog van het einde van de wereld’ trekt -sinds zijn verschijning in 1981- terecht alle aandacht. Een imposant epos.

 

Oorspronkelijke titel: La guerra del fin del mundo.
Datum van publicatie: 1981.