Een klasse apart van Joanne Harris

School in de problemen. 

een klasse apart
Different Class (2016)

September, 1981. “Hou je aan alle regels. St. Oswald is een nieuw begin.” Toch hoop ik iemand te vinden die de regels overtreedt. Iemand met wie ik leuke dingen kan doen. Dingen zoals moord.

September, 2005. Volgens de geruchten is ons nieuw schoolhoofd heel bekwaam. Hij heet Harrington. Toevallig ook de naam van een jongen aan wie ik een grondige hekel had, en die het middelpunt was van een schandaal. Ik was toen bijna gestopt. Maar ik ben er nog steeds, ondanks mijn leeftijd. Lesgeven is een verslaving. Net als de Gauloises, die ik stiekem rook. En de dropjes die ik snoep. Mijn nieuw lesrooster is karig. In plaats van de gebruikelijke 35 lesuren heb ik nu slechts 21. Latijn is spijtig genoeg een keuzevak geworden.

“Een leraar vergeet nooit een gezicht,
hoewel de namen van de jongens
vaak komen en gaan. Ik had de naam
aan toeval toegeschreven – in ruim
veertig jaar lesgeefpraktijk kom je de
meeste namen meer dan eens tegen.”

2004 was een bewogen jaar voor het katholieke jongensgymnasium St. Oswald. De school werd opgeschrikt door een moord en het vertrek van het schoolhoofd. Vandaar dat er nu een nieuw schoolhoofd komt, één die al twee falende scholen gered heeft.

Roy Straitley, leerkracht Latijn heeft al een paar schoolhoofden zien komen en gaan. Bij het nieuwe schoolhoofd heeft hij een slecht gevoel. Doctor Johnny Harrington blijkt inderdaad de jongen te zijn aan wie hij zo’n hekel had. De soort jongen, die een goede klas in een slechte verandert en een slechte in een angstaanjagende. De arrogante jongen is nu een glimlachende, zoetgevooisde politicus, die moeiteloos de corpus scholare (*) voor zich weet te winnen. Roy Straitley gelooft niet dat Harrington het goed meent met St. Oswald. Uiterlijk mogen mensen dan wel veranderen, innerlijk blijven ze dezelfde. De paar collega’s die weet hebben van het onheil dat Harrington en zijn vrienden brachten, weigeren echter om hun nek uit te steken. Straitley staat dus alleen in zijn strijd tegen de nieuwe schooldirecteur.

Naast Straitley is er nog de verteller van 1981. Een nieuwe leerling, die je tot halverwege het boek kent als Ziggy. Hij vertelt zijn krankzinnig verhaal in dagboekvorm. ‘Een klasse apart’ heeft veel goede elementen. Zo speelt ‘The Laughing Gnome’ van David Bowie een memorabele bijrol in het verhaal, en zet Harris je aan het denken. Toch wist ‘Een klasse apart’ me niet te overtuigen. Dat Ziggy zo lang ongestoord voor onheil zorgt, en ermee weggeraakt, is ongeloofwaardig.

(*) het lerarenkorps.

Lezen op school

Naast boeken bespreken neem ik af en toe ook mijn lees- en blogwereld onder de loep. Vandaag heb ik het over lezen op school.

Lezen op school. Ik heb er geen goede herinneringen aan. Ik was altijd blij als we zelf mochten kiezen wat we wilden lezen. Verplichte boeken vielen altijd slecht. ‘De aanslag’ van Harry Mulisch en ‘Lolita’ van Vladimir Nabokov, ze doen me nog steeds ineenkrimpen. En wat te denken van het wekelijks terugkerend leesuurtje waarbij klassikaal een boek van kaft tot kaft werd gelezen. Ik las zo ‘Het boek Alpha’ van Ivo Michiels, en als ik het me goed herinner ook ‘De Kapellekensbaan’ van Louis Paul Boon. Vreselijk.

Zelfs als volwassene snap ik nog steeds niet de bedoeling van klassikaal lezen uit een klassieker. Ik hoop dat de leerkrachten van tegenwoordig andere manieren hebben gevonden om leerlingen te laten kennismaken met literatuur. Hoewel je je de vraag kan stellen of het nu echt om literatuur moet gaan. Ik heb me toen eens gewaagd aan Charles Dickens, maar las ‘David Copperfield’ maar voor de helft. Allicht was het te hoog gegrepen. Ik las als tiener trouwens vooral Enid Blyton. Van de dolle tweeling, de vijf en de vijf detectives had ik alle boeken.

Net als mijn toen favoriete fictieve helden stopte ik mijn rok- en broekzakken vol met materiaal, dat me in een noodsituatie zou helpen, zoals een vergrootglas, een kompas, een zakmesje. Met een paar vriendinnen had ik een clubje opgericht: de vijf. We schreven toen brieven in geheimschrift naar elkaar, wat ik in mijn poppenwiegje verstopte. De boeken van Blyton prikkelde dus behoorlijk mijn fantasie, wat ik van Mulisch, Nabokov, Boon en Michiels niet kon zeggen. Oké, er zaten een paar jaar tussen Blyton, Mulisch, Nabokov, Boon en Michiels, maar lezen moet leuk blijven. En vooral: het moet aangepast zijn aan je niveau, je leefwereld en je interesses. Wat had ik gemeen met een oude vieze man die maar steeds aan Lolita moest denken?

Als ik al slechte herinneringen heb aan de verplichte literatuur op school, hoe zit het dan met mensen die niet graag lezen? En jij? Heb jij goede herinneringen aan lezen op school? Of krimp je nog steeds ineen bij het vernoemen van dat ene klassieke boek, of die ene bekende schrijver?