Ongeduld van Stefan Zweig

Liefde of medelijden?

Vanwege zijn stevige knuisten is Toni Hofmiller al heel jong naar de cadettenschool afgevoerd, zodat hij het ambtenarengezin met twee meisjes en vier eeuwig hongerige jongens niet te lang belastte. In luttele jaren is hij gebruiksklaar afgeleverd bij het leger. Op zijn vijfentwintigste maakt hij deel uit van een regiment lichtbewapende cavaleristen aan de Oostenrijks-Hongaarse grens aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. In het stadje nabij het garnizoen valt niet veel te beleven voor een jonge officier als Toni. Via de plaatselijke apotheker krijgt hij op een gegeven moment een uitnodiging voor een feest bij de aristocratische familie Kekesfalva. Toni geniet met volle teugen van het feest, maar dan begaat hij een flater. Hij vraagt dochter des huizes, Edith ten dans. Edith barst in tranen uit; zij is namelijk verlamd.

Om zijn harteloze blunder goed te maken laat Toni de volgende dag een fraai boeket bezorgen. Hierop volgt een uitnodiging van Edith: of Herr Leutnant thee wil komen drinken. Voor Toni het goed en wel beseft, komt hij dagelijks bij dat arme kind over de vloer. Na jaren met jongens en mannen te hebben geleefd, bevalt het vrouwelijk gezelschap van Edith en haar nichtje Ilona hem uitstekend. Bovendien behandelt heer Kekesfalva hem als een zoon, en voelt Toni zich kind aan huis. Toch duurt het niet lang vooraleer Toni beseft dat er achter de façade van rijkdom en weelde een getroebleerde wereld schuilgaat. Het besef komt sowieso te laat, want zijn blunder heeft van aanvang aan een rampzalige geschiedenis in gang gezet.

‘Ongeduld’ vertelt het verhaal van een flater met verstrekkende gevolgen vanuit het ik-perspectief van de nietsvermoedende Toni. Naarmate het verhaal vordert, nemen de gevolgen enkel toe, wat het drama en de spanning ten goede komt. Net als Toni val je als lezer uit de lucht als blijkt dat Edith van hem houdt. Hij van zijn kant heeft medelijden met haar. Volgens Zweig zijn er twee soorten medelijden: de zwakke en sentimentele soort, wat niets anders is dan het ongeduld van het hart om zich zo snel mogelijk te bevrijden van het pijnlijke gevoel dat je bekruipt bij de ellende van een ander. En het onsentimentele medelijden, dat welbewust en vastbesloten alles tot het uiterste duldt.

Maar welk soort medelijden voelt Toni nu eigenlijk? En kan hij Edith de waarheid wel vertellen? Naast Edith is er nog de rijke ziekelijke vader, die hoopt dat Herr Leutnant zijn zorgen rond Edith overneemt, zodat hij vredig kan sterven. Kortom de strop van het medelijden wordt bij elk bezoek en bij elk gesprek met de verschillende betrokkenen, strakker rond Toni’s nek aangetrokken. Drama kan dan ook niet uitblijven in deze prachtige roman, die getuigt van veel inlevingsvermogen. Het inlevingsvermogen vraagt op het einde veel van sensitieve zielen, die Toni’s wanhoop voelen alsof het hun eigen wanhoop betreft.

Ungeduld des Herzens, 1939

Mijn linkervoet van Christy Brown

Autobiografie van Christy Brown.

Dublin, 1954. Tijdens een benefietvoorstelling voor mensen met een hersenverlamming las dokter Collis het eerste hoofdstuk voor van een bijzondere autobiografie. De toen 22-jarige invalide auteur, Christy Brown, zat in de zaal omringd door zijn ouders en familieleden. Brown had zijn autobiografie geschreven met zijn linkervoet.

Browns linkervoet was lang zijn voornaamste communicatiemiddel met de buitenwereld. Christy Brown (1932-1981) kreeg kort na zijn geboorte een ernstige hersenverlamming, een aandoening die jaren later door dokter Collis werd vastgesteld. Op een dag, Christy was toen 5, greep hij met zijn linkervoet een stukje geel krijt. Hij maakte een wilde soort krabbel op een lei, waarop zijn moeder een letter A tekende en hem vroeg die na te tekenen. Het kostte hem enorm veel moeite, maar het lukte hem uiteindelijk. Vanaf dan leerde zijn moeder hem het alfabet aan, en leerde de jongen zichzelf spellen en lezen.

Met zijn linkervoet leerde Brown zichzelf ook schilderen en schijven. Zijn schrijven kreeg een enorme stimulans wanneer hij dokter Robert Collis leerde kennen. Christy Brown was toen 17. Dokter Collis behandelde de jonge aankomende schrijver in zijn centrum voor mensen met hersenverlamming. Dankzij die behandeling leerde Brown spreken en lopen. Bovendien kreeg hij les in onder meer wiskunde en literatuur.

Het autobiografische ‘Mijn linkervoet’ laat inderdaad zien hoe Christy Brown de wereld en zijn handicap ervoer. Naarmate Brown zich geestelijk ontwikkelde, werd hij zich tegelijkertijd meer en meer bewust van de beperking van zijn lichaam, wat sterke diepmenselijke en pijnlijke scènes oplevert. Ondanks depressieve gevoelens en frustraties is ‘Mijn linkervoet’ vooral een unieke triomf van wilskracht, van een held, die zichzelf absoluut niet als zodanig ziet. Opvallend is de mooie poëtische en rake taal, wat eerder zeldzaam is voor een autobiografie. Een aanrader.

In 1989 vertolkte Daniel Day-Lewis de invalide Christy Brown in de film, My left foot, wat hem een Oscar opleverde. Daniel Day-Lewis’ vader, schrijver en dichter Cecil Day-Lewis was een vriend van dokter Collis.

The king’s speech van Mark Logue en Peter Conradi

Mooie aanvulling op de film.

Ik kocht dit boek na het zien van de schitterende film ‘The King’s Speech’. Het boek verdween in de boekenkast tot ik eerder dit jaar besloot om het te lezen. Zowel het boek als de film zijn gebaseerd op de dagboeken en het archief van Lionel Logue.

Wie was Lionel Logue? Lionel Logue was een onbekende spraakleraar, een autodidact, die de onder zijn spraakgebrek gebukt gaande hertog van York, tot één van de grootste koningen van Groot-Brittannië maakte. Over de methodes die Logue gebruikte is weinig gekend. Allicht was het de speciale band, die Logue opbouwde met de koning het succes achter het verhaal. Dat die relatie uniek was, bleek uit het antwoord van de koningin-moeder, na de dood van haar echtgenoot: “ik denk dat ik misschien beter weet dan wie ook hoezeer u de koning geholpen hebt, niet alleen met zijn spraak, maar daardoor ook met zijn hele leven en zijn kijk op het leven”.

Het boek begint met de kroning van de hertog van York tot koning George VI. De commentaren in de dagbladen op de kroning, en de daarop volgende radiotoespraak bevatten niets dan lof: de woorden van de koning waren vast en duidelijk, en zonder hapering doorgekomen. Zowel de koning als Lionel Logue hadden zich geen mooier compliment kunnen wensen; het was de bekroning van hun werk, dat in 1926 begonnen was.

Naast het portret van koning George VI, krijg je eerst en vooral het volledige verhaal van Lionel Logue. Wat een belangrijke meerwaarde geeft aan het boek, is de historische duiding rond de troonsafstand van Edward VIII en de jaren tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dit wordt vooral met krantenberichten uit die tijd geïllustreerd. Ook geeft ‘The King’s speech’ je een persoonlijk portret van de Britse monarchie.

Kortom, een mooie en interessante aanvulling op de film.

The King’s Speech: How One Man Saved the British Monarchy, 2010