
Een dikke week na het overlijden van Katherine Mansfield (1888–1923) schreef Virginia Woolf in haar dagboek: “Zij kan Mrs. Dalloway niet meer lezen. Zij is niet meer mijn rivale.” Mansfield was namelijk de enige schrijfster op wier talent Woolf werkelijk jaloers was.
Dat Woolf en Mansfield rivales waren, klopt evenwel niet. Ze waren vriendinnen. Het was een vriendschap die dreef op bewondering, respect, jaloezie en een zekere mate van professionele rivaliteit. Die rivaliteit zat vooral bij Woolf, die haar leven lang onzeker bleef over haar eigen kunnen.
De twee ontmoetten elkaar in 1916. Woolf had toen slechts één roman gepubliceerd, The Voyage Out, dat nauwelijks was opgemerkt. Mansfield had al naam gemaakt. Ze leken op het eerste gezicht een onwaarschijnlijk paar: Woolf uit de Engelse hogere middenklasse, Mansfield uit een koloniale familie in Nieuw-Zeeland. Maar ze deelden meer dan men zou denken: een huwelijk, relaties met vrouwen, een metier gedomineerd door mannen — en een compromisloze ernst over literatuur.
In 1917 vroeg Woolf haar om de eerste uitgave van Hogarth Press te verzorgen. Mansfield leverde Prelude, een verhaal dat niet iedereen overtuigde, maar Woolf bleef haar verdedigen en noemde haar de beste schrijfster die ze kende.
Door terugkerende reuma-aanvallen bleef Mansfield de jaren daarna vaak thuis. Woolf bezocht haar geregeld, beladen met versgebakken brood, bloemen en vooral woorden. In Mansfields studeerkamer spraken ze moeiteloos en levendig over hun werk en dat van anderen. Die gesprekken stopten toen Mansfield in 1919, wegens haar tuberculose, naar de Italiaanse Rivièra vertrok. Ze schreef Woolf maandenlang niet, wat haar verontrustte.
Intussen bereidde Woolf de publicatie van Night and Day voor. Het boek werd enthousiast ontvangen, tot Woolf in The Athenaeum een scherpe recensie van Mansfield las. Die recensie kwetste haar, maar ze wist dat Mansfield vaak gelijk had. Pas een half jaar later, toen Mansfield terug in Engeland was, sprak Woolf haar vriendin erop aan.
Mansfield kon een roman bewonderen en genadeloos eerlijk blijven. Juist die eerlijkheid maakte haar kritiek voor Woolf waardevol.
Die recensie was geen teken van vijandschap. Ze was een uiting van iets wat Mansfield even sterk bezat als Woolf: een compromisloze manier van lezen. Mansfield las met een intensiteit die bijna lichamelijk was. Voor haar was lezen geen ontspanning, maar een vorm van leven. Ze las om te begrijpen, om te ontleden, om te voelen — en vooral om te zien wat een tekst werkelijk deed.
Die manier van lezen was genadeloos eerlijk. Mansfield kon een roman bewonderen en tegelijk haar zwakke plekken aanwijzen. En precies dat maakte haar kritiek op Night and Day zo pijnlijk en zo waardevol voor Woolf. Mansfield wees Woolf op de conventies die haar nog tegenhielden, op de restanten van het Victoriaanse realisme die haar proza nog te strak maakten. Ze legde daarmee iets bloot wat Woolf al vermoedde en waarmee ze aan de slag ging. Het resultaat was Jacob’s Room (1922), Woolfs eerste experimentele roman, waarin ze de traditionele plot losliet en de fragmentarische, impressionistische stijl vond die haar later zou definiëren.
In tegenstelling tot Woolf schreef Mansfield geen romans. Ze koos bewust voor het korte verhaal, niet als opstap naar iets groters, maar als een zelfstandig, volwaardig genre. Haar verhalen bewezen dat het korte verhaal geen verkorte roman hoefde te zijn, maar een eigen vorm met een eigen identiteit. Dankzij Mansfield lezen we het korte verhaal vandaag niet langer als een potentieel boek, maar als een kunstvorm op zich waarin het moment, het detail en de nuance allesbepalend zijn.
In haar laatste twee levensjaren verwaterde het contact met Woolf, vooral door de afstand die hen scheidde. Mansfield leefde toen in Frankrijk, waar ze zich terugtrok in een ritme van schrijven, lezen en herstellen. Het waren haar meest productieve jaren. In die korte tijd schreef ze haar beste werk: verhalen die zo geconcentreerd, zo precies en zo helder zijn dat ze het genre voorgoed veranderden.
