
In Gespot duik ik in Gertrude Steins (1874 – 1946) bekendste boek uit 1933. Via de stem van haar levensgezellin herschreef de Amerikaanse Stein de avant‑garde en de literaire expatgolf van de Lost Generation zoals zij die had ervaren, en dat was voor de betrokken kunstenaars en schrijvers soms moeilijk te slikken.
In 1903 voegde Gertrude Stein zich bij haar broer, de kunstverzamelaar en criticus Leo Stein, in Parijs. Samen kochten ze al vroeg werk van Picasso, Matisse en Cézanne, kunstenaars die door de officiële kunstwereld nog niet werden erkend, en dus niet werden gekocht. Leo had het scherpste oog, maar Gertrude had de durf. Hun appartement in de Rue de Fleurus vulde zich met radicaal modernistische kunst, en rond 1905 kwamen de eerste nieuwsgierige bezoekers langs: kunstverzamelaars en ‑handelaars, maar ook kunstenaars zoals Picasso, Matisse, Braque en Gris.
Dat waren toen nog geen salons, maar eerder informele bezoeken aan een opvallende privécollectie. Pas vanaf 1907, toen Alice B. Toklas (1877 – 1967) bij Stein introk, kregen de bijeenkomsten het karakter van salons met regelmatige avonden, een gastvrouw en gesprekken die bleven hangen. Niet lang na Toklas’ komst verliet Leo Stein voorgoed het huis in de Rue de Fleurus. Broer en zus zouden nooit meer met elkaar spreken.
Toklas was verbaasd dat Stein zoveel schreef, maar niets publiceerde. Ze vond dat er iets gedaan moest worden met al die rondslingerende manuscripten. Uiteindelijk debuteerde Stein in 1909 met Three Lives, waarin ze voor het eerst de lange, trage zinnen vol herhalingen gebruikte, die zo karakteristiek zijn voor haar werk.
Haar reputatie als schrijfster zou gestaag groeien, net als haar salons, die na de Eerste Wereldoorlog een ontmoetingsplek zouden worden voor Amerikaanse schrijvers die iets anders zochten. Na de Groote Oorlog bleven veel toekomstige Amerikaanse schrijvers en dichters in Frankrijk. In Parijs konden ze goedkoop leven, hadden ze artistieke vrijheid en een internationale kosmopolitische cultuur. Via de salons bij Stein en Toklas konden mensen als F. Scott Fitzgerald, Thornton Wilder, Sherwood Anderson en Ernest Hemingway proeven van het modernisme, conversaties voeren in het Engels en praten met een icoon als Picasso, in weliswaar gebroken Engels. Stein was voor die schrijvers een magneet, een mentor, een literaire moederfiguur.
Dat Stein niet bescheiden was, staat buiten kijf. Ze zei ooit: “Einstein was the creative philosophic mind of the century, and I have been the creative literary mind of the century.” Stein wilde niet de grootste zijn, ze wilde gezien worden. In een tijd waarin haar experimentele stijl vaak werd genegeerd, bouwde ze bewust aan een publieke persona die haar werk zichtbaar maakte. En dat gebeurde in 1933 met De autobiografie van Alice B. Toklas, een roman die haar wereldberoemd maakte.
De autobiografie van Alice B. Toklas is een staaltje van onbetrouwbare vertelkunst, waarin Stein experimenteerde met weergave, objectiviteit en invalshoek. Maar vele van de geportretteerde kunstenaars en schrijvers waren niet te spreken over hoe zij en hun werk werden afgeschilderd. Stein vertelde immers niet hoe het was, maar hoe zij wou dat de wereld haar zou zien, namelijk als degene die die kunstenaars en schrijvers had gevormd en grootgemaakt. En die kunstenaars en schrijvers in kwestie waren toen geen nobele onbekenden meer, maar gevestigde waarden. Een reactie liet niet op zich wachten. In het pamflet Testimony Against Gertrude Stein (1935) werden haar beweringen openlijk tegengesproken. Maar intussen had Gertrude Stein haar plaats in de geschiedenis verzekerd.
De Nederlandse vertaling van deze heruitgave is van Geertje Lammers, en is vanaf 16 juli 2026 verkrijgbaar. Meer informatie vind je bij Uitgeverij De Geus.

Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.