Spotlight op: Wij

In ‘spotlight op’ ontruk ik een boek en zijn auteur uit de vergetelheid. Vandaag is het spotlight gericht op: Wij van Jevgeny Zamyatin.

Zijn vrienden noemden hem de Engelsman. Tijdens de Eerste Wereldoorlog had Jevgeni Zamjatin (1884-1937) 2 jaar gewerkt in Engeland als scheepsbouwkundig ingenieur. Daarnaast vertaalde hij werk van Jack London (1876-1916) en H.G. Wells (1866-1946) vanuit het Engels in het Russisch.

Net voor de Eerste Wereldoorlog had hij zelf naam gemaakt met zijn roman, ‘De draak’. Na de Russische Revolutie in 1917 was hij uitgegroeid tot een leidende figuur binnen de Russische literatuur. Zamjatin was een aanhanger van het nieuwe regime, maar dat zou niet blijven duren. Want hij zag in de politiek van Vladimir Lenin totalitaire tendensen en had daar kritiek op. De bureaucratische machthebbers en zijn onafhankelijke houding en politieke satire waren geen match. Kortom: Zamjatins status ging van held naar luis in de pels van de Sovjetliteratuur. Hij was daardoor een van de allereerste Russische dissidenten.

Zijn roman ‘Мы’ (Wij) was het allereerste literair werk dat in de Sovjet-Unie gecensureerd werd. Zamjatin liet het bijgevolg uit de Sovjet-Unie smokkelen. Het verscheen in 1924 bij de Amerikaanse uitgeverij E.P. Dutton.

Gelukzaligheid en afgunst zijn de teller en de noemer van de breuk die geluk wordt geheten.

Logica moet zijn! In de totalitaire wereld die Zamjatin in ‘Wij’ creëerde zijn fabrieken, laboratoria, ziekenhuizen en mensen herleid tot een nummer. Mannen krijgen bij hun nummer een medeklinker, vrouwen een klinker. Individualiteit is er niet. Iedereen draagt een uniform. Voor liefde en fantasie is er geen plaats in de Vereende Staat. En voor seks heb je een attest nodig.

Samen met ‘The Iron Heel’ (1908) van Jack London is ‘Wij’ een van de eerste satirische dystopieën. Een tweetal maanden nadat hij ‘Wij’ in een Franse vertaling had gelezen, begon George Orwell te schrijven aan zijn roman ‘1984’.

Het beeld bij dit blog is van Boris Kustodiev en is in het publieke domein.

Almayers luchtkasteel

Van Joseph Conrad (1857 – 1924)

Oorspronkelijke titel: Almayer’s Folly.
Jaar van publicatie: 1895.

Nederlandse vertaling: Marcel Otten.
Uitgeverij: L.J. Veen Klassiek.

Vijfentwintig jaar geleden kwam Kaspar Almayer vanuit Java naar Borneo met de postboot. Makassar was toen een bruisende handelsstad. En Almayer stond klaar om de wereld te veroveren.

Het duurde niet lang of Almayer hoorde de verhalen over Tom Lingard. Verhalen over zijn rijkdom en zijn Maleisische adoptiedochter. Nadat Almayer een jaar lang zaken had gedaan met Lingard, stelde deze hem voor om met zijn adoptiedochter te trouwen. Het stond Almayer enorm tegen om met een Maleisische te trouwen, maar de miljoenen die hij zou erven kon hij niet weerstaan. Hij zou zich – op het juiste moment – wel ontdoen van zijn vrouw.

De miljoenen van zijn schoonvader waren niet bestand tegen de Arabieren, die de handel in de regio wisten over te nemen. Verder gaf Lingard handenvol geld uit aan expedities in het binnenland op zoek naar goud. Lingard is al jaren niet meer in Makassar geweest. Is hij dood? Woont hij terug in Engeland? Almayer weet het niet. Alleszins is hij zo arm als een kerkrat. En leeft hij nog steeds met zijn vrouw.

Joseph Conrad (1857-1924), oftewel Józef Teodor Konrad Korzeniowski, was geboren in een verarmde aristocratische Poolse familie in Rusland (nu Oekraïne). Voor zijn debuut met ‘Almayers luchtkasteel’ had hij 20 jaar lang de wereldzeeën bezeild. Hoewel zijn zeemansengels ontoereikend was, schreef hij in het Engels. Aanvankelijk maakte Conrad veel fouten tegen de grammatica, maar hij was een snelle leerling.

Vandaag de dag is Conrad een van de belangrijkste romanschrijvers uit de Engelstalige literatuur. Hij was een stylist en beïnvloedde veel schrijvers na hem. Omdat hij niets wist over het leven in Engeland schreef hij over verre en exotische landen, waarbij hij putte uit zijn herinneringen en zijn vele reizen. In zijn hart bleef hij altijd een zeeman. En een buitenstaander.

Zijn karakters leven bijgevolg in een geïsoleerde positie. Zo is Kaspar Almayer de enige Nederlander in de regio. Typisch voor Conrad begint het verhaal middenin en is de openingsscène filmisch met een Almayer die uitkijkt op de rivier Pantai, wachtend op Dain. Wat hij graag wil, lees je al meteen op de eerste pagina’s.

Kaspar Almayer hield zich in gedachten vaak met goud bezig, goud dat hem niet gelukt was te bemachtigen, goud dat de anderen hadden bemachtigd – met bedrog, natuurlijk – of goud dat hij nog van plan was te bemachtigen door middel van zijn eigen eerlijke inspanningen, voor hemzelf en voor Nina.

Nina is Almayers oogappel. Hij hoopt op een dag met zijn dochter in Europa te wonen, waar niemand haar andere huidskleur zou zien. Zijn hoop is gevestigd op Dain, die voor hem op zoek is naar Lingards fameuze goud. Maar de dingen lopen weer niet zoals Almayer het gewild had. Want Almayer is een dromer, die niet vooruit te branden is. In Amsterdam en Europa is hij overigens nog nooit geweest. Bovendien kent hij Nina niet. Weet hij niet wat er in haar hoofd omgaat.

Nina lijdt onder haar afkomst. Is zij Europees? Of is zij Maleisisch? Voor haar vader zou zij haar Europese kant moeten omarmen, voor haar moeder de Aziatische. Alleszins is zij – opmerkelijk voor de tijd waarin dit verhaal speelt – een assertieve, weliswaar stille vrouw. Een jonge vrouw die haar eigen keuzes maakt.

Dan is er mevrouw Almayer. Zij vertrouwt de blanken voor geen meter. Net als haar man is zij geobsedeerd door goud. Goud, dat ze in tegenstelling tot haar man wel in handen krijgt en weet te behouden.

‘Almayers luchtkasteel’ gaat over de botsing tussen culturen door onder meer het conflict tussen de Europese vader en de Aziatische moeder met als inzet: hun dochter. Dit in een setting, waarin Conrad oog had voor de politieke realiteit in Nederlands-Indië met een bevolking die zich stilletjes aan opmaakt voor hun recht op zelfbeschikking.

Een zomer in Venetië

van Włodzimierz Odojewski (1930 – 2016).

Oorspronkelijke titel: Sezon w Wenecji.
Eerste datum van publicatie: 2000.

Copyright vertaling © 2019 Charlotte Pothuizen/Em. Querido’s Uitgeverij.

Zijn grootouders, ouders en tantes kenden Venetië alsof het hun eigen stad was. Enkel tante Barbara was nog nooit in Venetië geweest. Zij was zelfs nog nooit buiten Polen geweest. Toch kon ze urenlang over Venetië vertellen.

Aan het begin van de zomer van 1939 zou hij met zijn moeder naar Venetië gaan. Hij had ter voorbereiding van die reis een stuk of tien boeken over Venetië gelezen. Ook had hij foto’s geknipt uit tijdschriften en de namen van de straten en kanalen uit zijn hoofd geleerd. De koffers waren al ingepakt. De treinkaartjes gereserveerd.

Het was nooit bij Marek opgekomen dat volwassen makkelijk terugkwamen op hun beloftes. De reis naar Venetië was voor hem een vanzelfsprekendheid. Maar mama vertelde hem dat ze de reis waarschijnlijk zouden uitstellen. Toen zijn broer Wiktor op kamp ging, deed mama onbegrijpelijk moeilijk.

Doordat zoveel onuitgesproken bleef en hij niet kon geloven dat ze niet zouden afreizen naar Venetië, leefde hij in groeiende angst. Tenslotte vertrokken ze, weliswaar niet naar Venetië, maar naar de villa van tante Weronika. Een beslissing die Marek niet snapte. Want mama vond tante Weronika een gek mens. Hij verstond nog steeds niet waarom hun reis naar Venetië niet doorging. Blijkbaar dreigde er gevaar. Maar welk gevaar? Hij was bijna tien en geen bangerik.

Een man van onbestemde leeftijd mijmert over wanneer hij voor het eerst over Venetië hoorde. En dat hij nooit precies heeft kunnen zeggen wanneer. Als lezer reis je geruisloos van heden naar verleden. Want wat volgt zijn niet de herinneringen van een volwassene die terugkijkt, maar die van een kind van bijna tien.

Vertelperspectieven vanuit een kind hebben vaak iets gekunsteld. ‘Een zomer in Venetië’ vertelt echter een authentiek, helder en krachtig verhaal van een bijna tienjarige. Een kind dat er niets van snapte. Totdat zijn broer Wiktor grijs van het stof en vuil op een ochtend aanbelde bij tante Weronika’s villa. En hij en zijn nichtje Karola begrepen dat het al drie of vier dagen oorlog was. Over oorlog had hij al gelezen, dus hij kon er zich iets bij voorstellen. En uiteraard was hij bang.

Toen hij met Karola en de huisbewaarder van zijn tante kisten met appels wegbracht, kwam de oorlog wel heel dichtbij…

” En pas later, toen ze van de brug weer de weg op waren gereden, begreep hij waarom de beide stromen mensen, dieren, motoren en spullen die hij eerder had gezien plotseling waren stilgevallen. Want ze naderden de plek waar de bom was ingeslagen. Hij zag dode paarden, die al waren losgesneden van het borsttuig en schoftstuk en door soldaten gehaast naar de berm waren gesleept, sommige uiteengereten door shrapnels; hij zag een opstopping van wagens, waaromheen een mensenmassa dromde, en liggende en rennende mensen die met bloed waren besmeurd.”

Intussen was de kelder van tante Weronica’s villa vol water gelopen en verklaarde tante Barbara dat ze naar Venetië zouden gaan. De dag nadat hij met de oorlogsgruwel was geconfronteerd, brachten de volwassenen tafels, kasten en naaimachines naar de kelder. Hier deden ze dienst als eilanden die werden verbonden via planken, strijkplanken en kleinere tafels. Kasten en schappen tegen de muren waren huizen en palazzi. Een pingpongtafel was het San Marcoplein. Wastobbes gondels. De trap een haven.

En zo reisde Marek dan toch nog naar Venetië in die zomer toen de oorlog uitbrak.