Waarvan wolven dromen van Yasmina Khadra

Verhaal van een radicalisering.

Waar dromen wolven van? Wanneer ze tussen twee voldane grommen, het verse bloed oplebberen van hun prooi, vastgeklit aan hun weerzinwekkende muil zoals de schimmen van onze slachtoffers aan ons.

Ooit was Nafa Walid getuige van een ‘ongeluk’. Zag hij het gezicht van een jong meisje tot pulp slaan. Enkele uren daarvoor had het meisje de nacht doorgebracht met Mohammed Raja. Gedegouteerd door het gebeuren gaf Nafa zijn ontslag bij de rijke Raja’s. Intussen heeft hij zelf gemoord, kelen overgesneden en verkracht. Nu wacht hij op de bevrijding van zijn duisternis. Wacht hij op een fataal schot.

“De agenten zijn opgehouden met schieten. Ik zie er een, verscholen achter een washok, op het dak van een krot. Hij slaat ons gade door het vizier van zijn geweer, zijn vinger aan de trekker.”

Ooit droomde Nafa van een carrière als acteur. Was hij ervan overtuigd dat hij ter wereld was gekomen om te behagen, te verleiden en harten te veroveren. Na zijn debacle bij de Raja’s en het bedrog door een kameraad kon Nafa niets meer verwachten van het leven. Enkel het geloof gaf zin aan zijn ellende. Enkel de fundamentalisten boden een uitweg.

Nafa’s verhaal speelt zich niet in deze tijd af, maar in de jaren 90 tijdens de Algerijnse Burgeroorlog. ‘Waarvan wolven dromen’ geeft een scherpe analyse van het toenmalige Algerije, dat overspoeld werd door een fundamentalistische vloedgolf. Mohammed Moulessehoul, beter gekend onder zijn pseudoniem Yasmina Khadra werkte toen als commandant in het Algerijnse leger. Hier moet hij de ervaring hebben opgedaan om geloofwaardig te schrijven over radicalisering, de mechanismen die aan de grondslag liggen van radicalisering, en fanatisme in het algemeen. Ondanks de cultuur en de achtergrond van de personages heeft het verhaal iets universeel. Wat vooral opvalt in ‘Waarvan wolven dromen’, is Khadra’s vakkundig en doeltreffend gebruik van taal. Met momenten is zijn taal poëtisch, ietwat gezwollen met sluimerend cynisme. Maar evengoed choqueert Khadra met terloopse vermeldingen van begane wreedheden, en met scènes die uit het scenario van een documentaire lijken te komen. Een aanrader.

Oorspronkelijke titel: A Quoi Rêvent Les Loups?
Jaar van publicatie: 1999.

De pest van Albert Camus

Over de sluimerende bacil van de pest.

Op een morgen struikelde dr. Bernard Rieux over een dode rat, die midden op het portaal lag. Hij schoof het dier gedachteloos opzij. Eenmaal op straat bedacht hij zich en ging de conciërge waarschuwen. Als de dokter ’s avonds thuiskwam, zag hij een rat in het portaal sterven. De dag daarop lagen er drie dode ratten in het portaal. Nog een dag later ging het om tien dode ratten. Het was geen alleenstaand geval. Overal in Oran vonden de mensen dode ratten.

Tien dagen later werd dr. Rieux bij de conciërge geroepen. De man kon niet meer. Hij had hevige pijnen in zijn liezen en onder zijn oksels. Later waren zijn lymfeklieren in zijn hals en ledematen gezwollen, en kreeg hij geleidelijk grote builen op zijn lichaam. Dr. Rieux liet hem isoleren, maar toen was het al te laat. Het was niet het enige sterfgeval. Er stierven nog mensen. Zij hadden allemaal dezelfde symptomen. Het duurde niet lang of de stad werd afgesloten en de noodtoestand uitgeroepen. Pas een jaar later gingen de stadsmuren terug open en was de strijd tegen de pest gestreden.

Volgens algemene opinie waren de merkwaardige gebeurtenissen tijdens dat jaar niet op hun plaats. Bovendien is het Algerijnse Oran maar een alledaagse, lelijke en saaie stad. De verteller van het verhaal heeft zijn eigen ooggetuigenverslag opgenomen, maar krijgt ook van andere ooggetuigenverslagen. Het verhaal volgt dan ook verschillende personages, elk met hun eigen visie op dood, leven en omgaan met de absurde situatie waarin ze leven. ‘De pest’ getuigt van wat gebeurd is, niet meer mag gebeuren, maar sowieso terug zal gebeuren. De bacil van de pest sterft immers nooit; zij sluimert.

Hoewel er weinig gebeurt in ‘De pest’ geeft het veel stof tot nadenken. Naast schrijver was in de Algerije geboren Camus ook filosoof. Hij ontwikkelde zijn eigen filosofie: het absurdisme, dat ontstond in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog. Het absurdisme zit dan ook verwerkt in zijn literaire erfenis. Zijn meest geliefde roman ‘De pest’ is een allegorie, waarin de associaties met het nazisme overduidelijk zijn. Het is evenwel geen werk verstild in de tijd waarin het geschreven is, maar een klassieker die je toch minstens een keer moet gelezen hebben.

Oorspronkelijke titel: La Peste.
Jaar van publicatie: 1947

Wat de dag verschuldigd is aan de nacht van Yasmina Khadra

Over een westerling die geen westerling is.

In ‘Wat de dag verschuldigd is aan de nacht’ vertelt Younes Maheddienne over zijn leven in Algerije vanaf de jaren dertig tot nu. Nadat zijn vader, Issa, zijn grond verliest, is de familie genoodzaakt om te verhuizen naar de stad. In de stad aangekomen vindt de familie een onderkomen in een vochtige halfopen kamer in een armoedige achterbuurt. Hoewel Issa financiële hulp kan krijgen van zijn jongere broer, is hij te trots om hulp te aanvaarden. Ten slotte klopt hij toch aan bij zijn kinderloze jonge broer, Mahi om zijn zoon bij hem achter te laten.

Mahi is getrouwd met Germaine, een katholieke vrouw, wiens familie al geruime tijd in Algerije woont. Omdat Germaine, Younes niet kan uitspreken, noemt ze de jongen Jonas. Als Mahi omwille van zijn nationalistische sympathieën in de problemen komt, verhuist het gezin naar Río Salado, waar voornamelijk Spaanse en Joodse families wonen. In Río Salado, sluit Jonas een levenslange vriendschap met 3 andere jongens: Simon, Fabrice en Jean-Christophe. Ondanks de verschillen zijn de jongens net als 4 tanden in een vork. De bloedmooie Emilie stelt echter de vriendschap op de proef, net als de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd.

De roman drijft niet op extremen, maar op subtiliteit en dualiteit. De schrijver (*) weet die dualiteit goed te verwoorden. De tweeslachtigheid komt vooral sterk naar voren in de jongvolwassen Younes, die anders dan de meeste van zijn landgenoten niet als boer of herder werkt, of in erbarmelijke armoedige omstandigheden moet leven. Omwille van zijn blauwe ogen, zijn opvoeding, kleding en westerse naam wordt Younes vaak aanzien voor een westerling. Toch krijgt hij van tijd tot tijd te maken met vooroordelen, en bevindt hij zich ineens in het kamp van de inheemsen.

“We zijn niet lui. We nemen alleen de tijd om te leven. En dat doen westerlingen niet. Voor hun is tijd geld. Maar voor ons is tijd onbetaalbaar.”

‘Wat de dag verschuldigd is aan de nacht’ geeft een interessante en boeiende kijk op de geschiedenis van Algerije. Qua taal is deze roman betoverend. Vanaf het tweede deel boet de taal in aan sfeer, maar blijft niettemin heerlijk beeldrijk.

(*)= Yasmina Khadra is het pseudoniem van Mohammed Moulessehoul. Hij nam dit pseudoniem aan om de censuur in zijn vaderland te vermijden. Na het verlaten van Algerije maakte de schrijver zijn ware identiteit bekend in zijn boek ‘L’écrivain’.

Oorspronkelijke titel: Ce que le jour doit à la nuit.
Jaar van publicatie: 2008.