Er was eens een schoenmakerszoon.

HC Andersen

Hij ging maar veertien dagen blijven. Uiteindelijk verbleef hij vijf weken bij de familie Dickens. Voor Charles Dickens (1812-1870) was Hans Christian Andersen (1805-1875) een slechte huisgast. Niet lang daarna verbrak hij zijn vriendschap met de rare en saaie Deen. De twee literaire reuzen hadden elkaar, tien jaar eerder, in 1847, leren kennen tijdens een promotour van Andersen in Engeland. Het klikte meteen. Dickens had bewondering voor het werk van Andersen, en Andersen was een fan van Dickens. Bovendien schreven beide over het moeilijke leven van de armen. Een leven waar ze beide vertrouwd mee waren.

Heel zijn leven woonde H.C. Andersen als gast bij aristocratische en gegoede families in binnen- en buitenland. Hij was weliswaar een graag geziene gast, maar echt aanvaard werd hij niet. Zo was er Andersens persoonlijkheid. Hij was een stille man, onhandig in sociale situaties. Ook zijn lage afkomst speelde hem parten. Tijdgenoten waren sceptisch over zijn talent. Hij was namelijk uit de verkeerde broek geschud: zijn vader was een schoenmaker en zijn moeder een wasvrouw.

Toen zijn vader stierf, was Andersen nog maar elf en combineerde hij sporadische lessen op school met een opleiding als leerjongen. Andersen ging vervolgens in de leer bij een wever, tabakshandelaar en kleermaker, maar hij wist dat dit niet zijn toekomst was. Hij verzon liever verhalen en imiteerde acrobaten en toneelspelers. Op zijn veertiende besliste hij om zijn geluk in Kopenhagen te beproeven.

Het verschil tussen zijn geboortestad Odense en Kopenhagen was groot. In Odense was Andersen opgegroeid met oude tradities, bijgeloven en een schat aan volksverhalen. Kopenhagen, daarentegen was een stad van boeken en beschaving. Hier zocht Andersen zijn fortuin in het theater. Een carrière als zanger, balletdanser of acteur zat er niet in. Dus probeerde hij het als toneelschrijver. In 1822 werd hij ontdekt door de toenmalige directeur van Det Kongelige Teater (Royal Theatre), Jonas Collin. Collin zag literair talent in de vreemde jonge man en werd zijn beschermheer. Dankzij het geld, dat Collin bijeen kreeg, ging Andersen terug naar school. Graag ging Andersen niet naar school. Het schoolhoofd hield hem immers altijd voor dat hij geen schrijver kon worden.

Andersen was een productieve schrijver. Naast toneelstukken schreef hij gedichten, romans, libretto’s, reisverslagen, autobiografieën en sprookjes. Met de sprookjes kwam de nationale en internationale roem. Ze waren revolutionair. Aanvankelijk schreef hij de volksverhalen op, die hij in zijn jeugd had horen vertellen, maar hij begon al snel zijn eigen sprookjes te schrijven. Ondanks zijn scholing leerde Andersen nooit goed schrijven en spellen. Hij schreef in spreektaal, waardoor hij brak met een literaire traditie. Zijn talent om verhalen te vertellen met veel fantasie en elementen uit de volkse traditie was een recept voor succes.

Zijn beste sprookjes schreef hij voor volwassenen, maar ze waren evengoed geliefd bij kinderen. Niet alleen in eigen land, maar ook in het buitenland entertainde Andersen mensen met zijn sprookjes. Koningen, edelen en rijken stelden hun paleizen en huizen open voor Andersen, die hen en hun gasten voorlas uit eigen werk. In totaal schreef Andersen 169 sprookjes. Met ‘Het lelijke jonge eendje’ schreef hij, naar eigen zeggen, het verhaal van zijn leven. Net als het lelijke eendje was hij een buitenstaander, een status waar hij zwaar onder leed. Een schoenmakerszoon, die ondanks alles, was uitgegroeid tot een beroemd schrijver.

Voor dit blog gebruikte ik verschillende bronnen, waaronder Wikipedia. 

Rode handen van Jens Christian Grøndahl

recensie (2) (1)

Het meisje met het litteken bij haar mondhoek.

“Niet dat ik al die jaren iedere dag aan het geheimzinnige meisje met het litteken bij haar mondhoek had lopen denken, maar al mijn oude onbeantwoorde vragen kwamen opeens weer op. Ze hadden eigenlijk
allang even onbelangrijk moeten zijn als al die andere vragen die je geleidelijk aan loslaat, omdat je leert dat je toch nooit alles te weten komt.”

Het is niet dat ik al die jaren iedere dag aan haar dacht, maar al mijn onbeantwoorde vragen kwamen opeens weer op, toen ik haar bij de visboer zag. Ik herkende haar aan het litteken bij haar mondhoek. Ik heb haar tot aan haar huis gevolgd.

Pas na een paar dagen durfde ik het aan om contact met haar op te nemen. Ze stemde toe in een ontmoeting. Het was het begin van een reeks ontmoetingen in een hotelkamer. In tegenstelling tot wat je gaat denken, waren onze ontmoetingen eerbaar, hoewel het voor mij als een verraad aanvoelde. Ik was toen nog getrouwd. Zij vertelde me wat er vijftien jaar geleden, tijdens die zomer dat we elkaar voor het eerst ontmoetten gebeurd was. Hoe ze een klus gedaan had voor de Rote Armee Fraktion, nadat ze een relatie begon met een van de leden daarvan.

Sonja Evers is niet haar echte naam. Ik wil echter niet ingaan op de details van mijn of haar leven. Zij bleef bij haar man. Ik scheidde van mijn vrouw. Na onze ontmoetingen heb ik een aantal jaren niets meer van haar gehoord. Tot ze ineens weer contact met me opnam, en vroeg of ik met haar naar Duitsland wou. Zij wou het proces bijwonen van een aantal opgepakte RAF-leden. Haar toenmalig lief was een van de arrestanten.

Toen de anonieme ik-verteller haar leerde kennen rookte zij Rode Handen. Uiteraard verwijst ‘Rode handen’ ook naar haar betrokkenheid bij de links-extremistische terreurgroep Rote Armee Fraktion. Haar kortstondig verblijf bij de RAF-leden, Thorwald en Angela drukt zwaar op haar geweten, vooral omdat er een dode viel. Bij hem overheerst de vraag: “hoe kan het zijn dat mensen als een Andreas Baader en Ulrike Meinhof, generatiegenoten van mij waren?” Hoewel hij geschokt is over haar verhaal gaat hij toch mee met haar naar Duitsland.

‘Rode handen’ van de Deense schrijver Grøndahl is het verhaal van een man en een vrouw, die elkaar in de jaren zeventig ontmoeten. Toen waren ze nog jong en stonden ze aan het begin van hun leven. Vijftien jaar later ontmoeten ze elkaar weer. Dan pas krijgt hij antwoorden op zijn onbeantwoorde vragen van toen. Niet dat hij er wijzer van wordt. Hij en zij lijken statische personages, maar er is wel degelijk een evolutie in hun visie op het leven. Terwijl zij als meisje geen burgertrut wou zijn, leidt ze uiteindelijk wel een burgerlijk bestaan. Hij evolueert in een andere richting. Hiermee is ‘Rode handen’ vooral een studie over hoe mensen evolueren geheel in harmonie met de heersende tijdsgeest. Zo tussen de lijnen door krijg je subtiele opmerkingen en bemerkingen over ideologieën en onbesuisd gemaakte keuzes. ‘Rode handen’ kent een spannende opbouw en verhaalt over onwaarschijnlijke gebeurtenissen, die ver en tegelijkertijd dicht bij ons staan.

Røde Hænder, 2006