De schrijver van gisteren

Op 22 februari 1942 vonden huisbedienden de 60-jarige Stefan Zweig (1881-1942) en zijn 36-jarige echtgenote Lotte Altmann dood terug in hun slaapkamer. Voor de Braziliaanse politie was de dood van de Zweigs een uitgemaakte zaak. De autopsie toonde aan dat beiden een overdosis Veronal ingenomen hadden. Ook had Zweig een afscheidsbriefje geschreven.

Thomas Mann reageerde verbolgen op de zelfmoord van Zweig, die hij een laffe daad noemde. Volgens hem hadden de nazi’s hem alsnog te pakken gekregen. Sommige Duitstalige auteurs in ballingschap vonden dat Zweig weinig reden had gehad om uit het leven te stappen. Zijn boeken verschenen nog steeds en geld was nooit een probleem geweest voor de Oostenrijker van joodse afkomst. Hij was immers met een zilveren lepel in de mond geboren.

Schrijver van novelles.

Stefan Samuel Zweig werd op 28 november 1881 in Wenen geboren. Zijn vader was een textielhandelaar en zijn moeder kwam uit een bankiersfamilie. Zweig studeerde filosofie, germanistiek en romanistiek. Tijdens zijn studies schreef hij al artikels voor de Neue Freie Presse en in 1901 verscheen een gedichtenbundel van zijn hand. Drie jaar later volgde zijn eerste novelle: ‘Die Liebe der Erika Ewald’.

Proza ging de analytisch ingestelde Zweig beter af en de novelle was een geschikt genre voor hem. Naast artikels en creatief werk vertaalde hij het werk van Paul Verlaine, Baudelaire, Romain Rolland en Émile Verhaeren. De invloed van Sigmund Freud leidde tot novelles waarin psychische problemen centraal staan, zoals ‘Erstes Erlebnis’ (1911), Angst (1925), Verwirrung der Gefühle (1927), en zijn enige roman, ‘Ungeduld des Herzen. Ook toonde hij zich een meester in het schrijven over het verleden en de tijd waarin hij leefde.

De overtuigde pacifist.

In 1920 trouwde hij met Fridenke von Winternitz, die 2 kinderen uit een eerder huwelijk meebracht. Het jaar daarvoor had hij zich weer in Oostenrijk gevestigd, in Salzburg. Met zijn literaire carrière ging het in stijgende lijn. Zijn novelles en geromantiseerde biografieën van historische figuren als Joseph Fouché (1929), Marie Antoinette (1933) en Marie Stuart (1935) deden het goed. In ‘Triumph und Tragik des Erasmus von Rotterdam’  (1935) droeg hij zijn humanistisch-pacifistische opvattingen overtuigend uit. De novelle ‘Sternstunden der Menschheit’ (1927) haalde recordoplagen. Tijdens de jaren 20 en 30 kon Zweig zich een van de succesvolste Duitstalige schrijvers noemen. Zijn werk werd in 30 talen vertaald, wat hem tot de best verkopende Duitstalige schrijver van zijn tijd maakte.

In 1933 nam zijn Duitse uitgever dan ook met veel pijn afscheid van zijn succesvolste auteur. Want omwille van zijn joodse afkomst kwam Zweig op de lijst van de verboden auteurs van de nationaalsocialisten te staan. Er stond echter al een Oostenrijkse uitgever klaar. Na de Anschluss (1938) werd zijn werk uitgegeven in Zweden.

Opgelegde ballingschap ging hem niet af.

Twee dagen nadat zijn villa door de nazi’s was doorzocht, vertrok hij voorgoed uit Oostenrijk. Zijn opgelegde ballingschap bracht hem en zijn vrouw naar Londen, waar hij de Engelse nationaliteit kreeg. In Londen scheidde hij van Fridenke en trouwde hij zijn secretaresse, Lotte Altmann.

Hoewel hij naast Duits ook Frans, Italiaans en Engels sprak, kon hij zijn zwaar Duits accent niet verdoezelen. Omdat hij zich niet meer veilig voelde door de toenemende haat bij de Engelsen tegen al wat Duits was, en de inval in Polen als het einde van Europa zag, besloot hij voorgoed Europa te verlaten. Na een kort verblijf in New York kwam hij ten slotte in Brazilië aan, waar hij net buiten Rio de Janeiro in Petropolis een villa betrok. Hier stapte hij uit het leven, samen met Lotte. De dag daarvoor had hij nog de laatste hand gelegd aan zijn autobiografie, ‘Die Welt von Gestern’ (De wereld van gisteren: herinneringen van een Europeaan).

Hoewel de kosmopolitische en bereisde Zweig in het verleden het idee van stateloosheid en ballingschap had verheerlijkt, kon hij niet aarden in ballingschap. De wereld van gisteren – zijn wereld – bestond niet meer en was voorgoed voorbij. Nergens was hij echt veilig voor de nazi’s en hun gedachtegoed. De politieke toekomst van de wereld zag hij somber in. Heel zijn sociaal netwerk – zijn echte thuis – was weggevallen en hij voelde zich een buitenstaander. De laatste jaren van zijn leven kampte hij met een zware depressie. Zijn beroemdste en laatste novelle ‘Schachnovelle’ (Schaaknovelle) uit 1941 is dan ook een pessimistisch werk.

Het moeilijke Ulysses

Literatuurwetenschappers zijn er nog steeds niet uit: is ‘Ulysses’ van James Joyce (1882-1941) nu wel of geen meesterwerk? Of getuigt het van egotripperij? De Ierse auteur wou immers een nieuwe definitie geven aan de literatuur. Na de Bijbel en de ‘Odyssee’ van Homerus is ‘Ulysses’ alvast een gewild studieobject.

Een moeilijk boek.

Voor veel lezers is ‘Ulysses’ een weinig toegankelijk boek. De structuur is chaotisch en verwarrend. Het taalgebruik is lastig. Want Joyce gebruikte naast Ierse straattaal ook letterlijke vertalingen uit het Latijn. Elk hoofdstuk is in een andere stijl geschreven. Het is doorspekt met grapjes, pastiches en parodieën. De roman zinspeelt op de Bijbel, de ‘Divinia Comedia’ van Dante, de drama’s van Shakespeare, het werk van Jonathan Swift en uiteraard de ‘Odyssee’ van Homerus. ‘Ulysses’ is immers de Engelse naam van de held van de ‘Odyssee’, Odysseus. En om het helemaal compleet te maken: in het lijvige ‘Ulysses’ gebeurt er weinig tot niets.

Het verhaal fungeert als een kapstok waaraan gedachten over leven, dood, seks en het Ierse nationalisme worden opgehangen. Letterlijk gaat het over de avonturen van de joodse advertentiecolporteur Leopold Bloom. Zijn avonturen duren 1 dag. Tijdens die ene dag – 16 juni –  maakt hij een odyssee doorheen Dublin. Joyce gaf zijn geboortestad heel gedetailleerd weer. Stel dat Dublin zou weggevaagd worden door een ramp, dan kan het dankzij ‘Ulysses’ terug heropgebouwd worden.

Van gewraakt en verbannen naar Bloomsday.

Terwijl Joyce werkte aan ‘Ulysses’ (1914-1922), kon hij de hoofdstukken die al klaar waren, voorpubliceren in het Amerikaanse tijdschrift ‘Little Review’. Het geld, dat hij hiervoor kreeg, kon hij goed gebruiken. Maar in 1921 spande de Amerikaanse autoriteiten een proces in tegen de uitgevers van ‘Little Review’. Hoofdstuk 13, waarin Leopold Bloom masturbeert, ging in tegen de goede zeden. Na de veroordeling van de uitgevers van ‘Little Review’ wou geen enkele Engelse of Ierse uitgever ‘Ulysses’ uitgeven. Uiteindelijk verschenen er 2 exemplaren van ‘Ulysses’  in 1922 bij een Franse uitgeverij. Later volgde een herdruk van 1000 exemplaren. Tien jaar later verscheen het dan toch in de VS, na een nieuw proces. En in 1936 rolde het in het Verenigd Koninkrijk van de persen.

De Ierse lezers konden pas in de jaren 60 de boeken van Joyce lezen. Dublin had op 16 juni 1954 zijn allereerste Bloomsday. De groeiende internationale belangstelling voor Joyce en ‘Ulysses’ was de Ieren niet ontgaan.

“The sea, the snotgreen sea,
the scrotumtightening sea.”

Voor dit blog gebruikte ik verschillende bronnen, waaronder Wikipedia. 

Praagse nachten van Benjamin Black

Praag, 1599. Het kan niet anders of Christian Stern is de door God gezonden ster. Zijn naam is een voorteken. Hij wordt dan ook ontvangen door keizer Rudolf II. Die vraagt hem de moordenaar te zoeken van Magdalena Kroll, zijn minnares.

Die keizerlijke opdracht drukt zwaar op Sterns gedachten. Op de eerste nacht van zijn aankomst in Praag ontdekte hij namelijk het lijk van Magdalena Kroll. Felix Wenzel, de eerste minister liet hem arresteren voor die moord. De kennismaking met de gevangenis is hem slecht bekomen. Bovendien is hij een geleerde en geen onderzoeker van misdaden. Wat gaat er met hem gebeuren als hij niet slaagt in zijn opdracht? Waar moet hij beginnen? Wie moet hij ondervragen?

De oplossing valt uiteindelijk in zijn schoot, helemaal op het einde van het verhaal. Je bent al bijna vergeten dat hij een moordenaar zocht. De moord is in ‘Praagse nachten’ slechts een middel voor Black om iets meer te vertellen over het middeleeuwse Praag en het leven aan het hof van keizer Rudolf II. Stern is geen sympathiek personage; hij is jong en arrogant en heeft weinig tot geen inzicht in de mensen rondom hem. Hij vertelt zijn verhaal als een oude man, terugkijkend op zijn tijd in Praag, toen hij nog vol was van zichzelf.

Deze historische whodunit is fictie van de bovenste plank. Je waant je zo aan het hof van keizer Rudolf II met zijn alchemisten, geleerden en slinkse hovelingen. Het verhaal is geloofwaardig en het proza schitterend. Achter het pseudoniem Benjamin Black zit niemand minder dan de Ierse Nobelprijskandidaat John Banville. Banville gebruikt dit pseudoniem voor zijn thrillers.

Oorspronkelijke titel: Prague Nights.
Jaar van publicatie: 2017.