De wraaklustige graaf

Sommige klassiekers zijn gemeengoed. Zo behoort ‘Le Comte de Monte-Cristo’ van Alexandre Dumas uit 1844 ons allen toe. 

Alexandre Dumas baseerde zijn verhaal rond de lotgevallen van Edmond Dantès op de waargebeurde geschiedenis van de Franse schoenmaker Pierre Picaud. In 1807 werd Picaud valselijk beschuldigd van spionage voor de Engelsen. Die beschuldigingen had hij te danken aan drie jaloerse vrienden. Na zijn gevangenschap kwam hij in het bezit van een schat. Belust op wraak spoorde hij zijn vrienden op om hen te laten boeten voor wat zij hem hadden aangedaan.

Edmond Dantès
Illustratie van Edmond Dantès voor de editie van 1888 door Pierre Gustave Eugene Staal.

Dumas’ hoofdpersonage Dantès verblijft veertien jaar onschuldig in château d’If, een gevangenis. Na zijn spectaculaire ontsnapping is het eiland Monte-Cristo de eerste bestemming, die hij aandoet. Hier ligt namelijk een schat. Dankzij die schat begint Edmond Dantès een nieuw leven. Bij een nieuw leven hoort een nieuwe naam en identiteit. Dantès is nu de graaf van Monte-Cristo. De nieuwbakken graaf ademt wraak. Indertijd hebben drie mannen hem belasterd. Door hen zat hij onschuldig vast. Nu is hun tijd om te lijden gekomen.

Hoogstwaarschijnlijk vond de toenmalige paus ‘De graaf van Monte-Cristo’ moreel verwerpelijk. Het boek kwam dan ook op de lijst van verboden boeken (de Index librorum prohibitorum). Bijna alle boeken van de populaire Franse schrijver waren op die lijst van verboden boeken terug te vinden. Toch deed dit geen afbreuk aan het succes van de schrijver en zijn nepgraaf. Oorspronkelijk werd ‘De graaf van Monte-Cristo’ als serie gepubliceerd in het Journal Débats. De serie liep van augustus 1844 tot januari 1846 en bestond uit achttien delen. Vanwege het immense succes volgde in 1844 al een boek van de eerste twee delen. Niet alleen Frankrijk ging plat voor de wraaklustige graaf, ook de rest van Europa volgde.

“Il faut avoir voulu mourir,
pour savoir combien
il est bon de vivre.”

In de nasleep van zijn succes engageerde Dumas de bekende architect Hyppolyte Durand. Durand bouwde Dumas’ droomhuis: le château de Monte-Cristo in Port-Marly. Naast le château de Monte-Cristo verrees ook een château d’If, of een werkruimte voor de schrijver. Hoewel Dumas een fortuin verdiende en zijn graaf furore bleef maken, moest hij in 1848 zijn kasteel, bijbehorende grond en gebouwen verkopen. De schrijver had namelijk een gat in zijn hand. De man die ons ‘De graaf van Monte-Cristo’ en ‘De drie musketiers’ gaf, stierf in bittere armoede.

Voor dit blog gebruikte ik verschillende bronnen waaronder Wikipedia.
Bron illustratie: Wikimedia Commons. 

De verdwijning van Adèle Bedeau van Graeme Macrae Burnet

Mooie ode aan Simenon

Manfred Baumann zit altijd op zijn gebruikelijke plek in Restaurant de la Cloche, een bistro in de kleine Franse stad Saint-Louis. Vanaf zijn plek kan hij het hele restaurant overzien en de bewegingen volgen van serveerster Adèle Bedeau. Op een avond volgt hij Adèle na haar dienst. Bij de kerk heeft zij afgesproken met een jongen. Een paar dagen later ziet hij Adèle terug bij de kerk, waar ze dezelfde jongen ontmoet. De dag daarop komt Adèle niet opdagen op haar werk. Zij is verdwenen.

“Adèle was niet komen opdagen
voor haar werk. Manfred voelde
een steek van teleurstelling.
Hij merkte dat hij zich erop
had verheugd haar te zien.”

Tijdens de ondervraging van rechercheur Gorski, maakt Manfred zich er met een leugentje vanaf. Hij wil niet dat Gorski weet dat hij Adèle en haar vriend begluurde vanuit een portiek. Op die manier maakt hij zich verdacht. Manfred realiseert zich dat maar al te goed.

Burnet is de schrijver, die niet schrijft. Het manuscript voor ‘Zijn bloedige plan'(*) vond hij toevallig in een archief. ‘De verdwijning van Adèle Bedeau’ heet een vertaling te zijn van de Franse schrijver Raymond Brunet. Het leven van Brunet doet vertaler Burnet in een nawoord uit de doeken. Wat opvalt zijn de gelijkenissen tussen het  leven van Raymond Brunet en Manfred Baumann. Nog volgens Burnet is ‘De verdwijning van Adèle Bedeau’ Brunets enige roman. Omdat er intussen al een tweede roman is rond rechercheur Gorski, gaat die bewering niet op. Benieuwd wat vertaler Burnet gaat beweren in ‘Het ongeluk op de A23’, dat dit najaar in het Nederlands verschijnt. Ik zet hem alvast op mijn leeslijst, want ik vond ‘De verdwijning van Adèle Bedeau’ goed en aangenaam leesvoer.

Ook kon ik de Simenon-imitatie bijzonder waarderen. Qua sfeer, karakteruitwerking en verhaalopbouw doet ‘De verdwijning van Adèle Bedeau’ namelijk sterk denken aan een roman dur van Georges Simenon. Het psychologisch welzijn van Manfred is volop in beweging door de verdwijning van Adèle. Ook bij Gorski komen herinneringen aan een vorige, onopgeloste zaak bovendrijven. Die Simenon-imitatie is geen toeval, want de Belgische schrijver is een van de lievelingsauteurs van Burnet. Doorheen het verhaal verwijst Burnet een paar keer naar Simenon: zo verslond de jonge politieman in spé Gorski, Maigret in de hoop dat hij zo de fijne kneepjes van het vak kon leren. De kneepjes van de schrijfstiel heeft de Schotse schrijver goed in zijn vingers. In zijn eigen stijl brengt hij met ‘De verdwijning van Adèle Bedeau’ een mooie ode aan het werk van Simenon.

Eerder besprak ik al ‘Zijn bloedig plan‘ van Graeme Macrae Burnet. 

Kleine doden van Emma Flint

Fictie gebaseerd op een echte moordzaak
Queens, New York, 14 juli 1965. De zesentwintigjarige Alice Crimmins deed die ochtend een akelige ontdekking: de slaapkamer van haar kinderen was leeg. Alice belde naar haar man, van wie zij gescheiden leefde, en brulde hem toe om de kinderen onmiddellijk terug te brengen. Maar Ed Crimmins had de kinderen niet. Diezelfde dag nog vond de politie Alice Marie, bijgenaamd Missy, dood terug op een braakliggend terrein ruim een kilometer verwijderd van haar woning. Het vierjarig meisje was gewurgd. Vijf dagen later werd het in verregaande staat van ontbinding verkerende lichaam van Ed jr. aangetroffen. Ed jr. was vijf jaar.

In 1971 wordt Alice Crimmins veroordeeld voor de moord op haar kinderen. Of ze haar kinderen vermoord heeft, weten we niet. Wel weten we dat de politie zich enkel richtte op 1 verdachte: Alice. Nog voor ze een voet zette in de rechtszaal was zij al veroordeeld. Wat zeg nu zelf: een knappe gescheiden vrouw met een baan als cocktailserveerster. Die rookt als een schouw en drinkt als een tempelier. Die zonder gêne laat zien wat de natuur haar gaf. En die mannen mee naar haar flat neemt. Zo’n snol kan toch geen goede moeder zijn!

Rond de geruchtmakende zaak van Alice Crimmins hebben journalisten, schrijvers en scenaristen inspiratie geput voor hun eigen al dan niet fictief werk. Emma Flint baseerde haar fictief verhaal rond Ruth Malone in ‘Kleine doden’ op ‘The Alice Crimmins Case’ van Kenneth Gross en ‘Ordeal by Trial’ van George Carpozi jr. Ruths verhaal in ‘Kleine doden’ volgt voor het grootste deel de zaak Alice Crimmins. Als lezer volg je de gebeurtenissen door de ogen van verslaggever Peter Wonicke en Ruth. Emma Flint trekt duidelijk en logischerwijs de kaart van de onschuldige vrouw, veroordeeld om wie zij is en hoe zij zich gedraagt. Daarbij weet zij de sfeer van die tijd goed weer te geven. Zij geeft het verhaal wel een ander, afgerond einde. Zo confronteert zij Ruth met de voor de hand liggende moordenaar van haar kinderen. Ondanks die voorspelbaarheid is het einde sterk met een Ruth Malone, die voor haar eigen anonieme weg kiest in het besef, dat ze niet mag opgeven en nooit vrij zal zijn. Ook Alice Crimmins koos na haar vrijlating voor de anonimiteit.

‘Kleine doden’ is geen roman die je moeilijk kan wegleggen of die drijft op verrassende plotwendingen, maar wel een die aan sterkte wint tijdens het lezen, en die je grijpt. Kortom ‘Kleine doden’ is een roman, die naar meer smaakt. De Engelse schrijfster werkt aan meer van zulke verhalen, gebaseerd op echte moordzaken.