Een speciaal soort voorzienigheid van Richard Yates

Foto door Vincenzo Malagoli op Pexels.com

Oorspronkelijke titel: A Special Providence.
Jaar van publicatie: 1969.

Besefte hij wel wat een opmerkelijke en begaafde en dappere vrouw zijn moeder was? Uiteraard wist hij dat. Hij had het zonder meer altijd geloofd.

Als gescheiden vrouw was zij met hem naar Parijs gegaan. Zij wou in Parijs studeren en een carrière beginnen als beeldhouwster. Zij was toen 38. Maar de tijd was tegen haar. Want haar prille carrière speelde zich af tegen de achtergrond van de Depressie. Na iets meer dan een half jaar was zij terug in de VS.

Van de magere alimentatie leefden Alice en Robert aanvankelijk op het platteland van Connecticut, toen in Greenwich Village en dan in een buitenwijk van New York. Zijn moeder lag voortdurend overhoop met de huisbaas, de kolenhandelaar en de kruidenier. Soms werd er een beeldhouwwerk van haar opgenomen in een tentoonstelling. En een enkele keer wist ze iets te verkopen. Maar dat veranderde niets aan hun belabberde situatie.

Toen zijn vader dood viel op kantoor, droogde het geld helemaal op. Niet lang nadat hij 17 was geworden, ging Robert werken als magazijnbediende. Hij hoopte tevergeefs dat zijn moeder de rol van deemoedige weduwe op zich zou nemen. Maar daar werd hij steeds in teleurgesteld. Voor hem geen moeder die zijn sokken stopt of het eten voor hem heeft klaarstaan als hij thuiskomt na een zware dag, maar een moeder die het voortdurend heeft over de kapitalen die ze gaat verdienen als ze haar beeldhouwwerk maar uit de opslag kon halen. Op zo’n moment zou Robert haar willen toeschreeuwen dat haar leven een leugen is.

Toch koestert hij die leugens en de troost die ervan uitgaat Zijn moeder gelooft immers in een speciaal soort voorzienigheid die altijd op hen zal neerstralen. Die speciaal soort voorzienigheid kan Robert nu goed gebruiken. Hij wordt in de laatste dagen van de Tweede Wereldoorlog als infanterist naar Europa gezonden.

‘Een speciaal soort voorzienigheid’ volgt in alternerende delen hoe het Robert als soldaat in Europa vergaat en hoe het zijn moeder nu vergaat en hoe het zover is kunnen komen met Alice. Door het retrospectief kom je zo ook meer te weten over waarom Robert zo’n moederskindje is en waarom hij op zoek is naar een vaderfiguur.

‘Een speciaal soort voorzienigheid’ was Yates’ tweede roman na ‘Revolutionary Road’. In 1969 was het ook meer dan twintig jaar geleden dat Yates zelf als soldaat uit de Tweede Wereldoorlog was gekomen met tuberculose, een nicotine- en een alcoholverslaving. Het was immers bitterkoud in de Ardennen, de bevoorrading was slecht en de uniformen ongeschikt. De Amerikaanse verliezen in die laatste dagen van de oorlog waren in sommige divisies opgelopen tot meer dan zestig procent. Of 77 000 doden. Robert Prentice is dan ook blij dat hij nog leeft, voor andere gevoelens is er geen plaats meer.

Robert heeft aanvankelijk een idealistische voorstelling van de oorlog. Tot hij beseft dat het niet enkel gaat om iemand doodschieten, maar dat hij zelf ook kan doodgeschoten worden. Net als de andere soldaten is hij bang. En net als thuis is hij weer een buitenbeentje. Maar nu komt het niet door zijn armzalige en nooit passende kledij. Door de oorlog komt hij echter los van zijn veeleisende moeder.

Wat Robert Prentice lukte, is Yates nooit gelukt. Ook hij had een artistieke, veeleisende en alcoholzuchtige moeder waar hij als kind voor moest poseren. Net als zijn alter ego verhuisden ze voortdurend, kende hij zijn vader amper en werd hij gepest. Voor de onzekere Yates moet de oorlog een hel geweest zijn.

Na ‘Voorbije liefdes’ dacht ik dat Richard Yates me niet meer kon verrassen. De thema’s zijn -net als de moeder- typisch Yates. Maar in tegenstelling tot ‘Voorbije liefdes’, ‘Revolutionary Road’ en ‘Paasparade’ gaat het niet over relaties en gefnuikte levens maar over een moeder-zoonrelatie en de goddelijke voorzienigheid.

“Maar hij had op een romantische manier van haar gehouden, met een bijna religieus geloof in haar dapperheid en goedheid.”

Hoe mooi wij waren van Imbolo Mbue

De jaren 80, West-Afrika. Een Amerikaanse oliemaatschappij boort naar olie. Lekkende pijpleidingen verwoesten de akkers en kinderen sterven aan het giftige water. Pogingen om van het bedrijf Pexton of de regering de garantie te krijgen op herstel van de akkers lopen op niets uit. Tot op een dag de dorpelingen van Kosawa besluiten om terug te vechten.

‘Hoe mooi wij waren’ wordt deels verteld vanuit een wij-perspectief. Daarnaast krijg je het perspectief van verschillende personages die allemaal deel uitmaken van dezelfde familie. Je krijgt zo dus verschillende kanten van een verhaal te horen, dat in de jaren 80 begint en eindigt in onze tijd. Het verhaal gaat uiteindelijk niet enkel en alleen over de vervuiling en uitbuiting van een multinational, de corruptie van plaatselijke en nationale leiders en het verzet daartegen, maar over hoe de westerse beschaving een dorp, en bij uitbreiding een cultuur wegvaagt.

Op een dag, zoveel weten we, zullen onze wereld en onze gebruiken in hun geheel zijn uitgewist.

‘Hoe mooi wij waren’ begint sterk maar naar het einde toe boet het serieus in aan betekenis. En dat is jammer. Wat mij betreft: had Mbue het beter gehouden op het huidige leed van de wij-generatie, zonder het leed van de vorige generaties. Want haar zij-uitstapje naar de slavenhandel en het leed daarvan, voelde voor mij er met de haren bijgetrokken. Bovendien hebben de personages bij Mbue de onhebbelijke gewoonte om onder een mysterieuze wolk te verdwijnen, wat vooral op het einde niet meer werkt.

De Kameroens-Amerikaanse schrijfster draagt ‘Hoe mooi wij waren’ op aan haar kinderen. En allicht is het bedoeld als een overlevering van hoe Mbue leefde in het Kameroen van haar jeugd. Dat is trouwens het mooie aan dit verhaal: de Afrikaanse cultuur en haar wijsheden. Die wijsheden weet Mbue heel soepel te verweven in haar simpele schrijfstijl. Sommige gebruiken en tradities worden zelfs door haar personages in vraag gesteld, waardoor het raar overkomt dat ‘Hoe mooi wij waren’ juist eindigt als een treurzang op wat verloren is gegaan.

Niettemin heeft onze welvaart een schaduwzijde. Als een boek als ‘Hoe mooi wij waren’ kan bijdragen tot het besef daarvan, dan is het meer dan geslaagd. Perfect voer dus voor een leesgroep.

Oorspronkelijke titel: How Beautiful We Were.
Oorspronkelijke uitgever: Random House, New York.
Jaar van publicatie: 2021.

Nederlandse vertaling: Heleen Oomen en Jeske van der Velden.
Uitgegeven door De Bezige Bij.

Spotlight op: Het gele behang

In spotlight op ontruk ik een boek en zijn auteur uit de vergetelheid. Vandaag is het spotlight gericht op: Het gele behang van Charlotte Perkins Gilman.

In 1898 publiceerde de vooraanstaande Amerikaanse feministe Charlotte Perkins Gilman (1860-1935) ‘Women and Economics’. In dit manifest brak zij een lans voor de financiële onafhankelijkheid van vrouwen. Daarnaast ontdeed ze de gangbare ideeën over vrouw-zijn en het moederschap van hun romantiek. Haar manifest kende veel weerklank en werd in 7 talen vertaald.

Enkele jaren daarvoor had Gilman al de aandacht getrokken met haar fictieverhaal ‘The Yellow Wall-Paper’ (1892). In dit klassieke horrorverhaal raakt een vrouw geobsedeerd door het lelijke gele behang van de kamer waarin ze is opgesloten. De gebeurtenissen in het verhaal zijn gebaseerd op Gilmans eigen worsteling met een postnatale depressie.

Op voorschrift van haar arts moest Gilman rusten, mocht ze niet werken, lezen, schrijven of schilderen. Of naar buiten gaan. Een rustkuur in bed was toen namelijk de gangbare behandeling voor een postnatale depressie. Na drie maanden te hebben doorgebracht in haar bed dacht Gilman aan zelfmoord. Tegen het advies van haar arts stopte ze met de rustkuur en zag ze haar toestand verbeteren.