In ‘Gespot’ zet ik een nog te verschijnen boek in de kijker. Vandaag heb ik het over het nieuwste boek van Colm Tóibín: De tovenaar.
Na een carrière als docent Engels in Barcelona, journalist en redacteur in Ierland koos Tóibín in de jaren 90 voor het beroep van schrijver. Die keuze was ingegeven door zijn bewondering voor het werk van Ernest Hemingway.
Naast Hemingway is Henry James een van Tóibíns idolen. Over James schreef hij de roman ‘De meester’ (2004), waarvoor hij verschillende literaire prijzen kreeg. Veertien jaar na zijn fictief portret van Henry James pakt hij uit met een roman over een andere schrijver die hij bewondert.
Met ‘De Tovenaar’ vertelt hij het verhaal van Thomas Mann. In tegenstelling tot ‘De meester’ houdt ‘De Tovenaar’ de belofte in aan een episch verhaal tegen de achtergrond van de eerste helft van de twintigste eeuw.
Voor Tóibín is het duidelijk dat het schrijverschap bij zowel James als Mann ingegeven was door onderdrukt verlangen. Terwijl James elke gedachte aan zijn homoseksualiteit onderdrukte, liet Mann een oeuvre achter waarin zijn onvervuld verlangen een plek kreeg. Net als in ‘De meester’ zal naast de homoseksuele identiteit het creatieve proces en de ontworteling van Mann aan bod komen.
Hij heeft net getriomfeerd als Hamlet, als vanuit zijn tuin een kerel naar zijn raam klimt en hem de groeten van Otto doet. De man brengt hem de laatste woorden van Otto over: ‘we zullen overwinnen’. Vervolgens bedreigt de man hem.
De tijd dat hij kameraden als Otto Ulrichs had en onder het protectoraat van een communistische organisatie theatervoorstellingen leidde, ligt ver achter hem. Gelukkig voor hem, zag Hermann Göring zijn communistische periode als een jeugdzonde. En was Göring zo in de wolken over zijn vertolking van Mefisto, dat hij zijn gunsteling werd.
De rol van Hamlet had hem moeite gekost. Mephistofeles in Faust ging hem beduidend beter af. Als Mefisto wist hij Faust over te halen zijn ziel aan hem te verkopen. Intussen is hij verworden tot Faust. Is hij de man die zijn ziel heeft verkocht aan de nazi’s voor macht, roem en geld.
De directeur van het Hamburgs Kunstenaarstheater zei ooit over hem: ‘alles aan hem is onecht, van zijn literaire smaak tot zijn zogenaamde communisme. Hij is geen kunstenaar maar een komediant’.
Volgens Hendrik Höfgen heeft elk regime theater nodig. Mensen zoals hij zijn dus onmisbaar. Het verkopen van zijn ziel kwam overigens met een prijs: hij heeft mensen verloren en relaties moeten opofferen. Et alors! Hamletiaanse zelfhaat is niet aan hem besteed.
Terwijl zijn vermoeid, betraand gezicht wat naar achteren zakte, riep hij, met een mooi, klagend, hulpeloos, steun zoekend gebaar van zijn gespreide armen: ‘Wat willen de mensen van mij? Waarom vervolgen ze me? Waarom zijn ze zo hard? Ik ben toch maar een hele gewone toneelspeler!’
Klaus Mann schreef zijn klassieke roman “Mefisto’ in 1936, toen hij in Amsterdam in ballingschap woonde. Het was een van de eerste romans over het sociaal-maatschappelijk klimaat onder de nationaal-socialisten. De Oost-Duitsers konden in 1956 ‘Mefisto’ lezen. In de Bondsrepubliek kwam het in 1964 tot een proces toen de nabestaanden van de Duitse acteur Gustav Gründgens naar de rechtbank trokken.
Hendrik Höfgens carrière in ‘Mefisto’ vertoonde immers gelijkenissen met de carrière van Gustav Gründgens. Gründgens was geen onbekende voor Klaus Mann. Ooit hadden ze samengewerkt in dezelfde theatergroep. En was Gründgens zijn schoonbroer geweest. Net als in de romans van vader Thomas waren de personages bij Klaus herkenbaar. Hoewel Höfgen zich onderscheidde van Gründgens, koos Mann hem juist omdat hij hem bijzonder nauwkeurig kende. Verder ging het hem om het ‘type’, over een personage dat voldoet aan bepaalde eigenschappen. En Klaus Mann weet die eigenschappen tot het uiterste uit te puren. Zo wil de beklagenswaardige Höfgen zijn tranen niet nodeloos vergieten. Een komediant heeft nu eenmaal een publiek nodig.
Enerzijds is het jammer dat Mann voor types koos, hierdoor zijn de personages niet echt uitgewerkt. Anderzijds is het overduidelijk hoe de antifascistische Klaus Mann dacht over het type van de politieke meeloper, de hofnar van de machthebbers. De toon van ‘Mefisto’ is dan ook sarcastisch. Toch sluimeren er flardjes hoop door: de luister waarin Höfgen zich wentelt zal niet blijven duren, andere machten zullen uiteindelijk winnen.
Oorspronkelijke titel: Mephisto, Roman einer Karriere. Jaar van publicatie: 1936. In het Nederlands vertaald door Juliana Hoenselaars.
Stel je het volgende scenario voor: in 1940 is de zittende Amerikaanse president nazi-Duitsland gunstig gezind. Welke gevolgen zou dat gehad hebben voor de Amerikaanse politiek? En hoe zou het leven van de Amerikaanse joden er dan hebben uitgezien?
In Roths alternatieve geschiedenis ‘Het complot tegen Amerika’ wint niet Franklin D. Roosevelt (1882-1945) de presidentsverkiezingen van 1940, maar luchtvaartpionier Charles A. Lindbergh (1902-1974).
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Charles A. Lindbergh de woordvoerder van ‘The American First Committee’, een isolationistische beweging. De isolationisten wilden niet dat de VS deelnam aan de Tweede Wereldoorlog. Op de koop toe had Lindbergh sympathie voor nazi-Duitsland en nam hij antisemitische standpunten in. Die feiten en zijn heldenstatus zorgden ervoor dat hij zich bij Roth opdrong als de drieëndertigste president van de Verenigde Staten.
De verteller van ‘Het complot tegen Amerika’ is de 9-jarige Philip Roth. Roths alter ego heeft overduidelijk een trauma overgehouden aan Lindy’s presidentschap.
“In deze herinneringen regeert de angst, een voortdurende angst. Natuurlijk kent elke kindertijd wel zijn verschrikkingen, maar toch vraag ik me af of ik als kind minder bangelijk zou zijn geweest als Lindbergh geen president was geworden, of als ik geen joden als ouders had gehad.”
Philips relaas komt authentiek over. Het verhaal evenwel vertelt niets nieuw. Enkel de context is anders: die is geënt op de Amerikaanse realiteit en op Roths realiteit als zoon van joodse ouders in Newark, New Jersey.
Dat het ook in de VS had kunnen gebeuren, wisten we al. Sinclair Lewis schreef in 1935 al over een xenofobe en haatzaaiende populist die de presidentsverkiezingen wint. En Arthur Miller stelde in zijn roman “Focus’ in 1945 het antisemitisme in de VS aan de kaak.
Uiteraard reageren de Roths verdeeld op de situatie: Mama Bess wil naar Canada. Papa Herman daarentegen wil niet emigreren. Broer Sandy wil deelnemen aan een project waarbij joodse kinderen bij Amerikaanse boeren worden ondergebracht. Volgens tante Evelyn en haar kersverse echtgenoot zien de Roths spoken, want de president heeft het beste voor met alle Amerikanen. Buiten de besloten joodse wereld van Newark nemen de spanningen echter hand over hand toe. Gewelddadige confrontaties en rellen blijven bijgevolg niet uit.
Halverwege Trumps presidentschap besefte Roth dat er parallellen waren tussen de wereld die hij had verzonnen en de politieke realiteit onder Trump. Nochtans was het niet zijn bedoeling geweest om een politieke allegorie te schrijven. Hij wou enkel de Amerikaanse joden de dreiging laten voelen van een antisemitisch bewind.
De geschiedenis van de VS na Donald Trump wordt nog volop geschreven. Maar dat alles anders is geworden staat vast. Hoe de Amerikaanse samenleving er na Lindbergh zou hebben uitgezien, zullen we nooit weten. We weten enkel dat de Grondwet van de Verenigde Staten de joden beschermde tegen een soortgelijk Europees lot van genocide en concentratiekampen. En dat na Lindbergh blijkbaar alles weer pais en vree was.
De trailer van de miniserie ‘The Plot Against America’ . Deze miniserie werd in 2020 uitgezonden en is gebaseerd op de gelijknamige roman van Philip Roth.
Oorspronkelijke titel: The Plot Against America. Jaar van publicatie: 2004. In het Nederlands vertaald door Ko Kooman en Janneke Zwart. De trailer bij dit blog komt van het YouTube-kanaal van HBO.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.